‘In de akkerbouw zouden we de kwaliteit van de bodem veel meer centraal moeten zetten.’ Foto: Huisman Media
Boeren zijn vooral slachtoffer van het huidige systeem, stelt Raymond Klaassen. Om het leven van de boer én het landschap te verbeteren, moeten we volgens hem onze blik vooral op de agro-industrie richten.
Wanneer ik rondrijd in Noord-Groningen, waar ik veel veldonderzoek doe, word ik omringd door akkers met suikerbieten, zetmeelaardappelen en graan. Wat kan ik daarvan eten? Suiker, maar dat is niet zo gezond. Het zetmeel uit de aardappelen wordt in van alles verwerkt, maar is niet bedoeld voor consumptie en het graan is voornamelijk voor diervoer.
Oftewel: het is een oneetbaar landschap, waar wij in die zin maar heel weinig aan hebben. De reden dat boeren zo te werk gaan? Omdat dat het meeste opbrengt.
Maar deze werkwijze is zó intensief dat het allerlei problemen oplevert met de bodem, het grondwater, stikstof en ga zo maar door. En wij als maatschappij dragen de kosten voor het oplossen van die problemen. Dat is niet helemaal eerlijk.
Niet boos zijn op de boer
Maar tegelijkertijd moeten we niet boos zijn op de boer. Die heeft namelijk een vrij beroerde inkomenspositie. Boeren werken hard maar verdienen weinig en zijn kwetsbaar voor misoogsten.
Natuurlijk, er gaat een boel geld om in zo’n boerenbedrijf, maar ze zijn wel erg afhankelijk en er blijft onderaan de streep niet veel over. En dat is hoe we het hebben georganiseerd met z’n allen: in een systeem dat heel erg op productie is gericht, maximale opbrengst per hectare.
Daar heeft de agro-industrie wat mij betreft ook een grote verantwoordelijk in, niet de boer. Die is vooral de uitvoerder. Het zijn vooral de grote ondernemingen die producten afnemen en verwerken, die pesticiden en zaden leveren, die heel veel hebben bepaald in het landschap. Het verdienmodel van die hele industrie om de boer heen is: productie, meer meer meer. En daardoor ziet de boer, wanneer die het slecht doet, intensiveren ook als oplossing. Maar dat is juist het probleem, boeren zouden moeten extensiveren.
Uitgaan van een ander systeem
In plaats van een systeem dat focust op gemaximaliseerde output, moeten we uitgaan van een systeem dat zichzelf veel meer bedruipt – zonder al die externe inputs van pesticiden en kunstmest – meer zoals een ecosysteem.
In de akkerbouw zouden we de kwaliteit van de bodem veel meer centraal moeten zetten, en daarbij het bodemleven moeten koesteren. Bijvoorbeeld door niet meer te ploegen, en door te bemesten met vaste mest in plaats van kunst- en drijfmest. Je krijgt dan een weerbaarder systeem met gezondere gewassen. Boeren die dit soort natuurinclusieve principes toepassen, kunnen met de helft van de gewasbeschermingsmiddelen uit, gewoon op het gangbare bedrijf.
En, heel belangrijk, meer dan alleen maar aardappelen-bieten-granen telen, het liefst vlinderbloemigen die ook nog eens heel gunstig voor de bodem zijn. Die variatie is heel belangrijk voor de biodiversiteit, inclusief de akkervogels waar ik onderzoek naar doe. En doordat je ziektegevoelige gewassen niet kort na elkaar teelt, heb je minder last van ziekten en plagen, dat is echt win-win.
Aan natuurinclusief gaan boeren onderdoor
We lossen zo veel problemen op met natuurinclusief werken. Waarom doen we dat dan niet? Omdat de boer daaraan onderdoor gaat. Natuurinclusief werken brengt een stuk minder op. De boer zit gewoon vast in het systeem zoals we dat nu opgetuigd hebben, en zelfs al willen ze extensiveren, ze hebben daar gewoon het geld niet voor binnen de huidige ‘spelregels’. Maar wanneer we alles bij elkaar optellen, is het verschil in opbrengst te overbruggen met een paar centen extra per liter melk of kilo graan.
Dat kunnen wij als maatschappij betalen, maar wij betalen ook al voor alle problemen die achter deze intensieve werkwijze vandaan komen. Je zou deze rekening ook bij de agro-industrie kunnen neerleggen die deze problemen veroorzaakt. Laten we eens zeggen: jullie mogen doorgaan, met boeren zo te laten telen, maar jullie gaan nu ook betalen voor het schoonmaken van het water. En hopelijk zien zij dan ook dat er een beter verdienmodel te vinden is in een duurzamere manier van werken.
Maar uiteindelijk is het ook heel erg een politieke keuze, het wordt tijd dat daar de kortzichtigheid van het beleid overwonnen wordt door een langetermijnvisie over wat echt goed is voor ons land.
Raymond Klaassen is ecoloog bij de faculteit Science & Engineering van de Rijksuniversiteit Groningen