Deze ketting werd vorig jaar binnengebracht bij MOW | Museum Westerwolde. Deze was ooit van Jan Pieter Bahlmann uit Oudeschans, die als dwangarbeider in het Duitse Weene te werk was gesteld. In de fabriek Metallverarbeitung Theodoor Klatte, die van buiten was gecamoufleerd als een boerderij, werkten honderden dwangarbeiders aan onderdelen van gevechtsvliegtuigen voor de Luftwaffe. De schakelketting werd gemaakt door Oekraïense dwangarbeidsters. Het was een geschenk, omdat Bahlmann ze stiekem voedsel gaf. Foto: Huisman Media
Museum het MOW in Bellingwolde toont binnenkort een armband uit de Tweede Wereldoorlog. De schakelketting werd gemaakt door Oekraïense dwangarbeidsters, speciaal voor Jan Pieter Bahlmann.
Hesther Bakker van het MOW I Museum Westerwolde trekt speciaal voor de gelegenheid witte, stoffen handschoentjes aan. Voor haar op een zwart doek ligt de ‘nieuwe’ armband van het museum. Het zijn elf ruiten schakels, met daarin zonnetjes en een grote rode stip. „Dit is zo aandoenlijk. Het is geen edelmetaal als zilver of goud, maar roestvrijstaal dat bedoeld was voor gevechtsvliegtuigen.”
De armband was van Jan Pieter Bahlmann (1916-2007). Oud-werknemer Jan Hidding had het in zijn beheer en besloot om het dit voorjaar tijdens de actie ‘Groninger Niet Weggooien Tour’ over te dragen aan het museum, zodat het verhaal erachter bewaard bleef. „We hebben het bestudeerd en met hulp van het Museum aan de Aa zoveel als mogelijk uitgezocht wat het verhaal achter de armband was. Dat bleek heel bijzonder.”
Als twintiger uit Oudeschans werd Bahlmann door de bezetter tewerkgesteld in het Duitse Weener, vertelt Bakker. In de fabriek Metallverarbeitung Theodoor Klatte, die van buiten was gecamoufleerd als een boerderij, werkten honderden dwangarbeiders aan onderdelen van gevechtsvliegtuigen voor de Luftwaffe. „Er werden vooral uitlaatsystemen en pilootstoelen gemaakt.”
De figuurtjes in de ketting zijn waarschijnlijk geponst. De ingelegde rode stip is vermoedelijk lak. Foto: Huisman Media
Hoger en uitbuiting
Klatte, een vriend van de opperbevelhebber van de Duitse luchtmacht Hermann Göring, had er behalve Nederlanders ook veel mensen uit Oost-Europa werken. „Polen, Russen, en Oekraïners.” Zij werden verschrikkelijk uitgebuit, zegt Bakker. Na een lange werkdag kregen ze weinig eten en hun huisvesting was ook karig ingericht. „Bahlmann werkte onder andere met Oekraïense vrouwen. Reken er maar niet op dat ze betaald kregen. Ze waren ernstig ondervoed.”
Bahlmann had het ‘geluk’ dat hij naar de fabriek kon fietsen en in Oudeschans kon blijven wonen. „Het was 20 kilometer heen fietsen, hard werken en dan weer terug.” Maar thuis was wel eten. Bakker: „Hij moet gedacht hebben: thuis krijg ik fatsoenlijk eten, ik neem daarvan wat mee op de fiets voor die vrouwen.” Als de bewakers van de fabriek daar achter waren gekomen, waren die niet blij geweest. In dergelijke werkkampen hielden de bezetters de touwtjes stevig in handen.
Hoe Bahlmann precies te werk ging is niet helemaal helder voor het museum. „Daarom hopen we ook dat we nog in contact kunnen komen met nazaten of andere familie van hem. Misschien kunnen zij meer helderheid geven.” Waarschijnlijk werkte hij in de fabriek samen met vier of vijf Oekraïense vrouwen voor wie hij ‘extraatjes’ de fabriek in smokkelde. Wat duidelijk is, is dat de dwangarbeidsters zijn hulp enorm waardeerden.
Een geheim cadeau
Als dank maakten ze in het uiterste geheim de armband. Daarvoor gebruikten ze kleine stukjes restmateriaal van het staal voor de gevechtsvliegtuigen. „Deze vrouwen hadden verder natuurlijk helemaal niets.” De figuurtjes zijn waarschijnlijk in het metaal geponst. „Wat de rode stip is, weten we niet. Mogelijk is het lak, het is in elk geval ingelegd.” De vrouwen maakten ook een ring, maar die lijkt verdwenen te zijn.
Beide sieraden waren bedoeld als geschenk aan de vriendin (later vrouw) van Bahlmann. „Zij wisten waarschijnlijk dat hij thuis een vriendinnetje had. Dit was hun manier om iets terug te doen. Het is iets heel persoonlijks.”
Het verhaal achter de armband ontroert Bakker. „Wat hij deed, dat vraagt moed. Dit is een prachtig menselijk verhaal over keuzes die je kunt maken. Ook als het moeilijk is. Het is een soort verwantschap met mensen aan de andere kant van Europa die vreselijk in de knel zitten. Dat het risico dat hij nam wordt gezien en dat wordt meegevoeld, dat vind ik iets heel moois.”
Het sluit bovendien aan bij wat het museum wil: laten zien hoe het was in Westerwolde, hoe het is en hoe de toekomst eruit kan zien, zegt Bakker. „Het hoort ook bij onze regio. Dwangarbeiders uit Westerwolde zoals Bahlmann waren in de unieke situatie dat ze in Duitsland aan het werk gesteld werden, maar wel thuis konden blijven wonen.
Bahlmann werkte tot 1944 in de fabriek. Hij richtte later zijn eigen transport- en grondbewerkingsbedrijf op in Oudeschans en verhuisde naar Bellingwolde. Wat het lot van de Oekraïense vrouwen is, is onbekend. Vanaf 31 juli is hun werk te zien in museum het MOW.