De straatbarbecue was de eerste keer dat ik een echt goed gesprek had met mijn buren. Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
Redacteur Carleen (31) maakte, zoals zovelen, de stap van de stad naar een dorp in Noord-Groningen. Ze kocht een huis in Het Dorp en zag een geïdealiseerd, romantisch dorpsleven voor zich. Maar een jaar later vraagt ze zich af: wonen in het dorp, doe ik het wel goed?
Als we dit huis krijgen, dan is dat de jackpot, denk ik tijdens onze eerste bezichtiging in het huis in Het Dorp. Vanuit de keuken kijk ik over uitgestrekte weilanden die het hele dorp omringen. Ik zie mezelf al zitten in de woonkamer, bij de houtkachel, met een goed boek. De kamer met de boekenkast die een hele muur bedekt is nog ongeverfd en er ontbreken planken. Maar ik begin al plannen te maken om er een schrijfkamer van te maken. Om eindelijk dat eerste boek te schrijven.
We gaan elk weekend wroeten in de tuin, een moestuin aanleggen, al onze boodschappen doen bij boerderijwinkels en stalletjes langs de weg. Ja, in dit dorp ga ik eindelijk rust met een hoofdletter R vinden.
Het huis voldeed aan alle eisen, maar stonden we er wel bij stil dat het in een dorp stond? Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
De stad voldoet niet aan ons wensen
Maar bij wonen in een dorp komt toch echt wat meer kijken. Vanuit de stad verhuizen naar een klein dorp brengt verantwoordelijkheden met zich mee. Dat weet ik. Maar we willen graag een huis kopen, waar precies maakt niet zoveel uit. We wonen nog in appartementjes in Groningen, maar daar mag het best een eindje vandaan zijn, als het huis fantastisch genoeg is. Als we maar samen ons eigen plekje kunnen creëren.
We willen een beetje klussen, maar geen bouwval kopen. We willen de seizoenen zien veranderen. Een goede keuken hebben om feestmalen te bereiden voor vrienden. We willen een toekomst opbouwen en huizen in de stad voldoen niet aan die wensen.
En ik weet: ik wil niet zo’n stadse meid zijn die met haar geïdealiseerde beeld van het dorpsleven de boel infiltreert zonder rekening te houden met de lokale gewoontes en ‘regels’.
Orde verstoord
De verhuiswagen staat op de weg geparkeerd. Naast de grote openstaande groene deuren van onze schuur, zodat we alles makkelijk naar binnen kunnen brengen. Zo’n 15 meter verderop staat mijn auto dwars op de oprit geparkeerd. Mijn huis. Mijn oprit. Het voelt gek, ineens eigenaar zijn van zulke dingen.
In de koude, heldere januarilucht hangt een aangename geur van brandend hout.
De overbuurman komt zich voorstellen. Willem is z’n naam. „Ik heb een schuur vol gereedschap. En die schuur daar is mijn opslag voor hout. Hout is echt mijn ding.”
Dat blijkt. Rond zijn huis staan hier en daar grote stronken hout in kunstige vormen.
„Jullie mogen alles lenen hoor”, vervolgt Willem. „Loop gewoon binnen, ik heb alles. En ik kan jullie helpen met klusjes.”
Hij steekt zijn hand in zijn jaszak, met zijn andere hand wijst hij naar mijn auto. „Jij hebt je auto heel ruim geparkeerd, terwijl daar makkelijk twee auto’s passen. En jullie hebben daar een auto geparkeerd..” Hij wijst naar een parkeerplaats op straat tegen onze heg aan. De auto is van mijn ouders.
„Dat is mijn parkeerplek. Ik heb mijn auto nu aan de hoofdweg geparkeerd. Maar daar staat de overbuurman normaal altijd. Die heeft zijn auto nu verderop staan.”
De jeep van buurman Willem. En onze heg. Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
Ik zie de robuuste, zwarte jeep van Willem langs de weg staan. Zo een waar ik met mijn 1,66 meter in zou moeten klimmen als een kleuter. Willems auto. Het is me duidelijk: we hebben nog geen nacht in het dorp geslapen en nu al de orde verstoord.
Alles mogen we lenen van Willem. Behalve zijn parkeerplek.
Hoe integreer je in een dorp?
Dit moet beter kunnen. Ik wil graag het fijne leven waar ik van droom, maar ik wil er ook bij horen in het dorp. Ik besluit te onderzoeken hoe ik dat het beste kan doen.
Hoe integreer je als stedeling succesvol in een dorp? Ik ben niet de enige die de stap zet. Het aantal mensen dat steden verlaat om in een dorp te gaan wonen, neemt sinds 2014 namelijk alleen maar toe. In 2021 zochten 75.000 mensen in Nederland ruimte, rust en goedkopere huizen in ‘de provincie’.
Ik sprak hier ooit voor een ander verhaal over met Koen Salemink. Hij onderzoekt voor de Rijksuniversiteit Groningen hoe dorpen omgaan met uitdagingen, zoals een afnemende interesse bij bewoners om actief te worden bij verenigingen.
„Je ziet vaak mensen die een plattelandsdroom hebben en zich in willen zetten om die droom waar te maken”, zei hij toen tegen me. „Ze willen de rust, maar nog steeds genieten van de dingen die ze gewend waren, zoals snel internet. Lukt dat niet, dan willen ze graag helpen om glasvezel aan te laten leggen.”
Ook zei hij dat de mensen die zich nieuw in een dorp vestigen vaak liever niet op een traditionele manier betrokken zijn. Denk bijvoorbeeld aan het lidmaatschap van het bestuur van dorpsbelangen.
„Dat kan allerlei redenen hebben, maar de belangrijkste is dat ze het vaak te druk hebben. De truc is om vanuit het dorp langs te gaan bij nieuwkomers, te praten en te kijken of diegene iets kan waar het dorp iets aan heeft. Vaak hebben ze dat van tevoren al bedacht, omdat betrokken zijn past bij het ideaal van het dorpsleven. Maar je moet als dorp niet afwachten tot de nieuwkomer zich meldt. De houding die je als dorp uitstraalt, krijg je terug.”
Even afwachten
Anderhalve maand na onze verhuizing lopen mijn vriend en ik het stampvolle, warme zaaltje van de lokale horecazaak in een omgebouwde kerk binnen.
Ik heb nog verfspetters op mijn armen van onze laatste klussessie. Mijn hoofd zit vol met taken die nog moeten gebeuren en mijn benen zijn uitgeput van het vele staan.
Maar dat is geen reden om onze eerste bijeenkomst van Dorpsbelangen over te slaan. Ongeveer tien hoofden draaien onze kant op zodra we de drempel over stappen. Alsof ze allemaal een radartje hebben voor nieuw bloed in het dorp. Bedeesd zoek ik een van de laatste lege stoelen op, helemaal voorin de zaal.
Op de agenda: een terugblik op het jaar: de doe-dagen in het speelbos, het zomerfeest, de lammetjesdag. De voorrangsituatie in het dorp, die uitmondt in een discussie over al dan niet te snel rijdende trekkers. De bouw van een klokkenstoel op de begraafplaats, die steeds meer budget vraagt. Ik vraag me vooral af wat een klokkenstoel is, maar durf het niet te vragen. Aan het eind zoeken ze een nieuw lid voor het bestuur.
Het blijft lang stil. „Ja, ik zou wel willen”, stamel ik. „Nee nog niet, je moet hier eerst een jaar wonen”, onderbreekt een man uit het bestuur snel.
Een eerste tip in de survivalgids ‘Wonen in het dorp’: de kat uit de boom kijken, de sfeer proeven en zien hoe alles werkt in het dorp voordat je bij allerlei clubjes gaat om dingen te organiseren.
De straatbarbecue
De maanden daarop worden opgeslokt door klussen, drukte op werk en pogingen om die rust te vinden waar ik zo op had gehoopt. Af en toe maak ik een kort praatje als ik buren tegenkom op straat. Maar een echt goed gesprek, dat hebben we pas in augustus. Als ik al zeven maanden in het dorp woon.
De straat is afgezet met stoelen en een tafel vol salades, stokbrood en dipjes in plastic bakjes van de supermarkt. Voor de oprit van buurvrouw Daniëlle zitten bijna alle buren in een kringetje van zelf meegebrachte campingstoelen, zoals het hoort bij een echt Nederlands feest. Op de grond staan hier en daar boodschappentassen waarin iedereen zelf bordjes, bestek en drinken mee heeft genomen.
„Wie van jullie had aangegeven vegetarisch te eten?” Buurman Michiel, een van de barbecuemannen, kijkt me verwachtingsvol aan. „Ik, maar meer omdat ik een beetje bang was dat er alleen maar hamburgers en worstjes zouden zijn.”
De straatbarbecue was de eerste keer dat ik een echt goed gesprek had met mijn buren. Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
Wat een vooroordeel. Maar Michiel lijkt het niet erg te vinden. Hij en zijn man Warner gooien mijn bord vol met de beste vegetarische gerechten. Gevulde portobello’s, gegrilde pompoen, aubergine.
„Een moestuin is heel veel werk”, zegt Warner even later terwijl hij zelf zo’n portobello zit te eten op een voor hem te kleine stoel. „Daar moet je op voorbereid zijn als jullie daarmee willen beginnen. Je moet er elke dag even heen.”
„Heb je een moestuin dan”, vraag ik aan Warner in de hoop dat hij me van wat goede tips en zaadjes kan voorzien.
„Nee!” reageert Michiel in zijn plaats. „Hij zegt maar wat joh!”
Nieuwe leven heeft me overweldigd
Pas na de buurtbarbecue krijg ik door wat een leuke mensen om me heen wonen. Een boeddhistische buurman die elke ochtend en avond op een grote gong slaat als onderdeel van zijn meditatie. Een jong gezin van wie de ouders sinds hun jeugd in het dorp wonen. Een alleenstaande vrouw van bijna 90 die door de halve straat in de gaten wordt gehouden. En ik besef hoe weinig moeite ik, ondanks al mijn goede voornemens, nog heb gedaan om ze te leren kennen.
Alle dorpsfeesten en bijeenkomsten had ik tot dan overgeslagen. Ik had bij niemand aangebeld voor een praatje. Het hebben van een eigen huis en een nieuw leven heeft me overweldigd en voor verse sociale contacten bleek helemaal geen ruimte.
Amsterdammers in Noord-Groningen
Bijna een jaar na onze verhuizing loop ik door de straat die ik inmiddels tientallen keren heb bewandeld. Ik weet precies op welk stukje ik het beste uitzicht op de ondergaande zon heb. Waar ik de meeste kans heb om de hertjes over de velden te zien rennen.
Ik kom aan bij het huis van Michiel en Warner. Kom maar via de achterdeur, luidt het devies in dorpen. Maar bij dit huis is niet duidelijk waar de achterdeur zit. Beide kanten zijn afgesloten met een hekje en ik zie geen bel vanaf de straat. Ik doe een gokje.
Ik leg Michiel mijn twijfel voor. „Je had ook via de keuken kunnen komen inderdaad. Je kwam nu via de voordeur. Dat hoort eigenlijk niet in een dorp hè?”
Maar we zijn nog geen 5 minuten in gesprek of hij noemt zichzelf al een buitenstaander. Dus of hij nou de beste persoon is om te beoordelen hoe ‘het hoort’... Twintig jaar geleden kochten hij en Warner hun huis in Het Dorp. Doordeweeks brengen ze hun tijd door in Amsterdam, de meeste weekenden in Noord-Groningen.
Ook kat Nacho stond te springen om in een huis met grote tuin te wonen. Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
„Toen we op zoek waren naar een huis in deze streek, waren we ons ervan bewust dat we niet overal konden wonen”, zegt Michiel. „We zijn er meer niet dan wel, dus je moet een dorp hebben waar dat mogelijk is. Voor wij kwamen, woonde hier een Duits gezin dat dit als vakantiehuis gebruikte, dus hier was men het al gewend.”
Ook Michiel had een idyllisch idee van een hele hechte dorpsgemeenschap. „Dat is tot op zekere hoogte wel zo, maar in de praktijk zitten de meeste mensen altijd binnen of in hun eigen tuin. Dat is één van de redenen dat we de straatbarbecue organiseren. Zodat we elkaar toch in elk geval een keer per jaar echt spreken en zodat je weet wie je buren zijn. We willen niet overkomen als die buitenstaanders die hier alleen maar komen profiteren en niks teruggeven.”
Survivaltip 2: Laat je gezicht zien in het dorp.
Ik vind het opvallend dat Michiel en Warner zichzelf zelfs 20 jaar later nog buitenstaanders noemen. Ze weten precies wie in het dorp woont, organiseren de barbecue en 20 jaar is een derde van hun leven. „Dat gevoel komt niet door het dorp. Iedereen is heel aardig en zorgzaam hier. Het komt doordat ik het gevoel heb dat wij hier komen om te ontsnappen. Wij laten al onze shit achter in Amsterdam en hebben hier alleen maar goede herinneringen. Voor de meeste mensen die hier wonen, is dit hun hele leven. Dat is niet te vergelijken met wat Het Dorp voor ons is.”
Te weinig helpende handjes
Daniëlle is zo iemand die al bijna haar hele leven – full time – in het dorp woont. Een Dorpeling. Op haar 7de kochten haar ouders een huis aan de andere kant van het dorp, ongeveer 20 jaar geleden kochten zij en haar man Johannes het huis van zijn ouders in Het Dorp. Daar wonen ze nu nog. „Het is grappig, ik was nog nooit aan deze kant van het dorp geweest totdat ik wat kreeg met Johannes”, zegt ze.
Daniëlle is een van de actiefste buren uit de straat. Ze organiseert het sinterklaasfeest, zit in het bestuur van Dorpsbelangen en schrijft de nieuwsbrief vol. Zo deed ze in de laatste aflevering nog een hartenkreet: waarom waren er zo weinig helpende handjes bij de laatste doe-dag? Het speelbos moest nodig opgeruimd worden, ander zou het niet meer voldoen aan de eisen van de gemeente. En met maar vier mensen lukte dat niet. Op haar vraag kwam maar één reactie.
„Ik ging bij het bestuur omdat ik vond dat sommige dingen beter konden. Ik miste het saamhorigheidsgevoel. Ik wilde een dorpsfeest waar we samen konden komen, samen Sint Maarten afsluiten met warme chocolademelk. Het sinterklaasfeest was ook erg magertjes. En ik vond dat als ik zelf geen stappen zette om het te verbeteren, ik geen recht van spreken had.”
Tegelijk vindt ze de grote charme van wonen in een dorp juist dat je op jezelf kan zijn. „Ik heb hier geen last van andere mensen. Ik ben niet verplicht om iets te doen en er wordt niet van alles van mij verwacht.” Toch vindt ze het belangrijk dat mensen hun gezicht laten zien zodat ze weet wie er allemaal wonen. „Al is het maar vanwege de veiligheid. Dat je het doorhebt als er iemand rondloopt die hier niet vandaan komt.”
En dat is verre van makkelijk. Het dorp is de laatste jaren erg veranderd volgens Daniëlle. „Er zijn veel Dorpelingen weggegaan en er zijn erg veel nieuwe mensen bijgekomen.”
Geen was ophangen op zondag
Met Dorpelingen doelt Daniëlle op mensen die zijn opgegroeid in Het Dorp. Je kan dus zomaar 40 jaar in het dorp wonen en nog steeds import zijn.
Zoals overburen Wies en Willem (die van het hout), waar ik als laatste langsga. Zij kwamen in de jaren 80 met hun kinderen in het dorp wonen, maar volgens Wies zijn ze nog steeds niet echt dorpelingen. Willem wel iets meer dan zij, ‘omdat hij plat kan praten’.
„Ik voel me hier enorm thuis en zou nooit meer ergens anders kunnen wonen”, zegt Wies. „Maar ik vond het in het begin wel makkelijker. Toen we hier net kwamen wonen, kwam tante Grietje van verderop tegen ons zeggen dat we op zondag de was niet moesten ophangen buiten. Willem deed een washandje om zijn hamer zodat het minder lawaai maakte op zondag. En met onze eerste sinterklaas kwam de buurvrouw van de overkant een zak cadeautjes brengen.”
Een van de redenen om het huis te kopen: vanuit de keuken uitzicht over de weilanden. Illustratie: Coen Berkhout/Midjourney
De buurvrouw van de overkant. Wies noemt haar ook wel de ‘echte’ eigenaar van ons huis. Zij was immers de eerste bewoner. Dat er tussendoor nog twee andere bewoners zijn geweest, doet er niet toe. Omdat er veel verloop is, geeft ze nieuwe bewoners ook wel eens bijnamen: de naam van de vorige bewoners. Dan kan ze het wat beter onthouden.
Survivaltip 3: accepteren dat ik er nooit helemaal bij zal horen.
Maakt dat mijn hele zoektocht nutteloos? Als je zelfs na veertig jaar nog import bent, bestaat de echte dorpeling dan wel? En als die niet bestaat, is er dan wel één juiste manier van inburgeren? Of moet ik gewoon mezelf blijven, luisteren naar de verhalen van mijn buren, hoi zeggen in het voorbijgaan en opletten of er niemand rondloopt die hier niet vandaan komt?
Kerstboompjes voor de buren
Op de glanzende witte tafel bij Willem en Wies staat wat kerstversiering. De mopshonden liggen te snurken op de bank, naast de knisperende haard. „Willem maakt met elke feestdag zulke houten poppetjes en beeldjes”, zegt Wies. En ze laat een kerstboompje en een vrouwtje met een hoed zien. Met mooie ronde vormen en een glad oppervlak.
„Vorig jaar had ie een kerstboom gemaakt voor iemand in het dorp en in de brievenbus gedaan. Die dacht: die is niet voor mij. Heeft ie hem bij de buren in de brievenbus gegooid! Alsof Willem zomaar voor iedereen een kerstboom maakt!”
We lopen richting de achterdeur die uitkomt bij Willems klusschuur. Op een tafeltje staan nog een paar houten kerstboompjes in verschillende kleuren en formaten.