De legendarische Groninger rechtsgeleerde H.J. Scheltema (1906-1981) stierf een benijdenswaardige dood. Hij had zijn levenswerk, een uitgave van het Byzantijnse wetboek in zestig delen, voltooid, een biertje gedronken in zijn stamlokaal, en bezweek ten huize van zijn opvolger Jan Lokin, terwijl die even de kamer uit was teneinde de kinderen in te stoppen. Hij werd ontzield aangetroffen in zijn stoel met een nog brandende pijp in zijn hand.
Er wordt beweerd dat op het moment van zijn verscheiden de klok in voornoemde gelegenheid, Café Wolthoorn, stil bleef staan. Dat verhaal past naadloos bij de vele anekdotes die al bij zijn leven over hem de ronde deden, waarvan een aantal tot het vaste repertoire behoort van door de eeuwen heen aan hoogleraren toegeschreven guitenstreken.
Van sommige sterke staaltjes heb ik echter van betrouwbare ooggetuigen gehoord dat ze werkelijk hebben plaatsgevonden. Eén van de aardigste vind ik dat hij bijwijlen bij officiële plechtigheden een klein fietslampje in zijn neusgat stopte, benieuwd of iemand de professor op zijn ogenschijnlijke snottebel attent dorst te maken.
Toen één zijner studenten, de langharige, naar de mode van de jaren 70 in spijkerpak gestoken Gerrit van Maanen, later zelf hoogleraar te Maastricht, een ongelooflijke 10 had gehaald voor het tentamen Romeins Recht, en Scheltema moest vaststellen dat die geen gymnasium, maar HBS had gedaan, riep hij ontzet uit: „Wat, gij zijt burgerscholier?!”
Ik kreeg van de hoogleraar te horen: ’Scheer je weg, kwast!’
Naast zijn wetenschappelijke werk was hij dichter, en publiceerde onder het pseudoniem N.E.M. Pareau opmerkelijke sonnetten, die zowel naar de vorm als het taalgebruik op geen enkele wijze leken op de in Nederland gangbare poëzie van zijn tijd. Bekend is zijn klinkdicht Voorval: ‘De trein had nauw’lijks een kwartier / ’t station IJmuiden-Oost verlaten, / of Hugo loosde zijn uraten / door het ontslotene portier.’ Op de consternatie van zijn medereizigers reageert ‘Hugo’ onverstoorbaar, ‘vermits zij allegaar vergaten / den last van ’t pas genoten bier. / Hij stak de knoopen in de gaten / en sloot het venster op een kier.’
De vrijgezel Scheltema placht ’s avonds regelmatig met enkele andere Groningse notabelen domino te spelen in café De Beurs, en daar sprak ik, in die dagen nog een aanstormend dichtertje, hem eens aan om van mijn bewondering te getuigen. Ik heb dat verdrongen, maar volgens zijn biografie Langs zelfgekozen paden verjoeg hij me met de woorden: „Scheer je weg, kwast!”
Het grootste deel van zijn leven woonde hij in zijn geboortestad, waar hij nog enigszins het gevoel had ‘in de beschaving te leven.’ Het noorden des lands duikt dikwijls op in zijn geschriften, zoals in zijn langste dichtwerk De Drentsche A.
Tot nu toe was er hier nog geen gedenkplaat of monument te zijner ere, maar daar komt vrijdagmiddag verandering in. Dan wordt op het H.W. Mesdagplein het volgende vers onthuld:
De kleine man, de kleine man Bevindt zich achter op de tram. Het weêr is fraai; de zonneschijn Verwarmt het H.W. Mesdagplein En doet het straatplaveisel blaken. Geen crisis kan ons thans meer raken! Christien zit binnen op een bank; Want zij is mank.