Een heer is iemand die zichzelf niet kan redden. Deze in oorsprong schertsend bedoelde definitie is maar al te vaak gewoon waar, en ik bedien me er veelvuldig van teneinde onaangename klusjes uit de weg te gaan (ook als verklaring voor de in ons land zonderlinge eigenschap dat ik niet kan zwemmen; te water gaande, heb ik de gewoonte te verdrinken).
Zoals veel intellectuelen was de legendarische hoogleraar Romeins Recht en zijn Geschiedenis H.J. Scheltema de kookkunst niet machtig. Weliswaar had de verstokte vrijgezel een huishoudster die hem verzorgde en bij wie hij allengs meer onder de plak zat, maar je wist nooit; er zou zich een noodsituatie kunnen voordoen, en wat dan?
Kookboek voor beginners
Een van goede bedoelingen vervulde vriendin schonk hem derhalve een kookboek voor beginners, Meisje kun je koken?, en de professor sloeg het leergierig open. De eerste adviezen (‘Zit je kapje goed?’) leverden geen problemen op. Helaas stuitte hij reeds op de tweede bladzijde op het commando: ‘Men make een roux’, zonder verdere toelichting, waarop het project verzandde.
Natuurlijk had de geleerde een gelegenheid aan kunnen doen, maar Groningse wetenschappers smeten (en smijten nog dikwijls) niet graag met geld, en van wat je besteedt aan een maaltijd blijft niets tastbaars over.
Wel gaf hij een enkele keer een etentje aan huis voor genodigden, waartoe hij een cateringbedrijf inhuurde. Het gebodene liet hij opdienen door studentes, die om in aanmerking te komen voor deze eervolle taak het Frans vloeiend dienden te beheersen. De voertaal tijdens het diner was overigens Gronings.
Kunnen we niet eens gewoon eten? Altijd maar die zwezerik...
Het onvermogen tot eigenhandig bereiden van voedsel kleeft ook mij aan. Tijdens een controlevisite na een ooit doorstane beroerte informeerde mijn neuroloog of ik wel eens een handeling onderbrak door opeens iets anders te gaan doen. Ter verduidelijking voegde hij eraan toe: „U bent bijvoorbeeld aan het koken…” Dat hielp niet echt.
Mijn levensgezellin daarentegen kokkerelt graag en goed, zodat ik tegenwoordig nog maar sporadisch in een eethuis verkeer, maar in mijn onbetamelijk lange wilde jaren tafelde ik bijna altijd buiten de deur, en de Groninger horeca kende geen geheimen voor mij. Ik wist niet beter, maar dat is op den duur helemaal niet zo leuk als het lijkt.
Eentonig aanbod
Het op het eerste gezicht gevarieerde aanbod blijkt na een poosje behoorlijk eentonig, zeker in die tijd, toen er veel minder keuze was in uitheemse restaurants (de eerste pizzeria ter stede werd pas in de jaren 70 geopend). Een toenmalig vriendinnetje verzuchtte eens: „Kunnen we niet eens gewoon eten? Altijd die zwezerik en die crème-brûlée…”
Hoe ik dat destijds financieel heb weten te bolwerken, blijft één van de onopgeloste raadselen uit mijn bestaan, al kon je toen nog wel overal laten opschrijven.
Ik was bovendien zo’n klant die de uitbater vroeg of hij niet iets bijzonders had ‘buiten de kaart om’. Dat was natuurlijk steevast het geval: „Ik heb nog een heel speciaal flesje voor meneer Rawie.” Zo kwam hij van menige winkeldochter af.
Mijn vriend Jan Lokin (opvolger van de in het begin genoemde hoogleraar Scheltema; zo loopt het mooi rond), die in een hotel was opgegroeid, vertelde me dat zijn vader een groot zwak koesterde voor zulke gasten.