Tijdens mijn dagelijkse wandelingetje door de stad maak ik voortdurend omtrekkende bewegingen teneinde medeburgers te ontwijken die zo verdiept zijn in het schermpje van hun telefoon dat ze nergens anders oog voor hebben.
Daarnaast moet ik nog steeds wennen aan voorbijgangers die ogenschijnlijk in zichzelf aan het praten zijn, wat vroeger een duidelijk signaal van gekte was, maar nu heel gewoon. Tot voor kort hield men zijn mobieltje zichtbaar in de hand, maar dat is door die oortjes niet meer nodig.
Deze ingrijpende verandering in het straatbeeld is vrij recent. De draagbare telefoon is pas eind vorige eeuw geïntroduceerd, met aanvankelijk belachelijk grote toestellen (‘ijskasten’, weet u nog?). Het elegante lichtgewicht mobieltje dateert van rond de millenniumwisseling, en ik was er vroeg bij: ik kocht mijn eerste exemplaar in december 1999 in Rome. In Italië had al bijna iedereen zo’n ding (Italianen lopen bijna altijd voorop), en in restaurants diende je het nonchalant naast je bord te leggen, ten teken dat je niet van gisteren was.
Prehistorische Ruttefoon
Mijn voorlijkheid in dezen bleek van korte duur, want ik heb geen gelijke tred gehouden met de verbluffende ontwikkelingen die zich in sneltreinvaart voordeden, en bedien mij nog altijd van een primitieve Nokia, waar je mee kunt bellen en sms’en (er schijnt nog meer mee mogelijk te zijn, maar die functies heb ik nooit kunnen vinden).
Inmiddels loopt de hele wereldbevolking met een zakcomputer rond, en wek ik bevreemding wanneer ik mijn prehistorische Ruttefoon hanteer (de wet van de remmende voorsprong), zodat ik goddank weer de ouderwetse uitstraling heb die bij me hoort.
Over nieuwe ontwikkelingen gesproken: er was het afgelopen jaar veel aandacht voor het verschijnsel van de kunstmatige vernuftigheid, op duistere gronden met ‘AI’ aangeduid. De artikelen daarover leken me oersaai en ik heb ze merendeels overgeslagen, al begreep ik wel dat luie studenten er gebruik van maken, wat niet altijd door hun leermeesters wordt opgemerkt.
De laatste week van 2025 heb ik drie eigenaardige ervaringen met die AI opgedaan. De eerste betrof een door mij uit het Russisch vertaald gedicht, waarvan de oorspronkelijke tekst door een kennis van mij, die de boel niet vertrouwde, ter controle aan de computer gevoerd werd. Er kwam het woord plakal in voor, dat ‘hij huilde’ betekent. In de AI-versie was dat ten onrechte ‘hij riep’ geworden, waaruit je kunt opmaken dat de vertaling via het Engels (he cried, dat beide betekenissen heeft) tot stand was gekomen.
Rawie was een bekende schrijver
Verder zocht ik – waarom doet er niet toe – met behulp van ‘Google-vertalen’ in een aantal vreemde idiomen het woord ‘zeetong’ op. In het Frans was dat volgens het apparaat seul (zoals u weet, moet het sole zijn). Verbaasd voegde ik het lidwoord toe, waarop la seule verscheen.
Je kunt er niet omheen: op het internet krijg je allereerst de AI-informatie, die soms verrassend kan zijn. Bij het intoetsen van ‘Drents Museum’ las ik dat daar ‘op één der wanden een gedicht is aangebracht van Jean Pierre Rawie (1951-2023). Rawie was een bekende Nederlandse schrijver en dichter.’
Ik probeer de vinger aan de pols van de actualiteit te houden, zoals u uit dit stukje wel heeft gemerkt, maar soms ontgaat je iets.