Er bestaat een theorie die betoogt dat er geen energie verloren gaat. Als iemand sterft, valt hij in atomen uiteen die blijven voortbestaan. Er zijn mensen die daar op een voor mij niet na te voelen manier troost aan ontlenen, maar daar wilde ik het niet over hebben (de onsterfelijkheid van de ziel behandelen we een andere keer).
In dit verband las ik lang geleden een stuk van Godfried Bomans, die stelde dat het op den duur mogelijk moest worden ook geluiden uit een ver verleden op te vangen. Ik meen dat hij suggereerde dat we bijvoorbeeld de stem van Napoleon terug zouden kunnen horen.
Het is maar te hopen dat die dan niet zo geknepen klinkt als de vroegste weergaven die wij hebben uit de oertijd van de opnametechniek. Er zijn wasrollen uit het begin van de vorige eeuw, waarop schrijvers als Tolstoj of Hugo von Hofmannsthal eigen werk voorlezen. Ik maak me sterk dat die niet over zulke piepstemmetjes beschikten als op die bandjes – goddank zijn er geen registraties van de voordrachten waarmee Rilke in zijn nadagen veel bijval oogstte.
Toekomstfantasieën uit het verleden zijn inmiddels vaak werkelijkheid geworden, ofschoon meestal niet helemaal zoals voorspeld, dus we kunnen niet uitsluiten dat ook bovengenoemde mogelijkheid eens gerealiseerd zal zijn. Tenslotte mijmerden de Ouden, evenals de Middeleeuwers, er reeds over hoe het zou zijn als de mens kon vliegen; bij Dante vind je zelfs een zeer overtuigende beschrijving van de beleving daarvan, wanneer Vergilius en hij op de rug van een gevleugeld monster vervoerd worden.
Er was een tijd dat ik nog verontrust opkeek als ik babbelende eenlingen tegenkwam
Het lijkt me verschrikkelijk als dat oproepen van lang uitgedoofde stemmen ooit lukt. Je moet er toch niet aan denken dat we naast het onophoudelijke gekwek van tegenwoordig ook nog het oeverloze gelul van de generaties vóór ons moeten verdragen.
Tot voor een jaar of twintig hielden de meeste mensen in ieder geval hun mond wanneer ze alleen over straat liepen. Je had wel een enkeling die in zichzelf aan het wauwelen was, maar daarvan wist je dat het een gek was. Nu evenwel is iedereen in de openbare ruimte verwikkeld in conversatie met onzichtbare gespreksgenoten ergens ter wereld. Er was een tijd dat ik nog verontrust opkeek als ik babbelende eenlingen tegenkwam, maar inmiddels weet zelfs ik niet beter. Aanvankelijk praatte zo iemand nog waarneembaar in zijn telefoon, maar de techniek is zover gevorderd dat je geen apparatuur meer kunt zien, en je telkens gegeneerd moet vaststellen dat-ie het niet tegen jou heeft.
Dat gezwam zou dan allemaal behouden blijven, maar ook het gewone gezwatel van elke dag. Laatst zat ik in de ijzeren spoortrein, terwijl er zich achter mij een gezelschap had genesteld dat het oneens was over de vraag of Arnhem leuker was dan Nijmegen, of andersom. Eén der aanwezigen beslechtte het dispuut ten gunste van de laatste stad, omdat die zo mooi lag aan de Maas, waarop een ander weifelend vroeg of dat niet de Waal moest zijn. Uiteindelijk werd men het erover eens dat Nijmegen zowel aan de Maas als de Waal lag, want ‘daar was ook een liedje over’.
Het zou toch doodzonde zijn als zo’n gedachtewisseling verloren ging.