Vorige week had ik het op deze plek over dichters die weinig te melden hadden, en dan maar over schilderijen schreven. Dat was tegen het zere been van een bevlogen muzenzoon uit mijn kennissenkring, die juist bezig was de laatste hand te leggen aan een bundel hilarische sonnetten over chefs-d’oeuvre uit de schilderkunst door alle eeuwen heen.
Ik had bij mijn ongelukkige uitspraak geen ogenblik aan hem gedacht, sterker: ik ben zo geestdriftig over zijn project dat ik er een zelfgemaakt sonnet ter inleiding voor heb geleverd. Wanneer genoemd boek verschijnt, zal ik er dan ook aandacht aan besteden.
Een dergelijke ironische benadering had ik niet op het oog; ik refereerde aan lieden die om één of andere reden geen uiting kunnen of willen geven aan hun diepste roerselen, en dan uit arren moede naar een andere kunst grijpen als onderwerp van hun alleszins hooggestemd bedoelde poëzie. Overigens bestaan er, daar ben ik me wel degelijk van bewust, een paar prachtige gedichten die geïnspireerd zijn door beeldende kunst. Ik denk hier aan Rilke en Nijhoff, maar dat blijven uitzonderingen die de regel bevestigen.
Onbenullig
Dit voert me naar de vermenging der kunsten in bredere zin. Er zijn gedichten die erom smeken op muziek gezet te worden. Wilhelm Müller, wiens verzen de tekst vormden voor Schuberts Schöne Müllerin en Winterreise, heeft vóór zijn vroege dood vaak gezegd dat het wachten was op een zielsverwante componist die recht zou doen aan zijn werk. Maar het is opvallend dat, zelfs bij Schubert, de liederen beter zijn naarmate de tekst onbenulliger is. Zijn toonzettingen van de diepzinnige rijpe Goethe zijn eigenlijk mislukt.
Het misschien beroemdste muzikaal vertolkte gedicht, de Ode an die Freude uit Beethovens negende symfonie, is, ofschoon niet onbenullig, zeker niet Schillers beste, en (wat weinigen weten) het betreft oorspronkelijk een drinklied (Freude sprudelt im Pokale, luidt één der niet gebruikte regels). Dat alle mensen broeders worden, is te danken aan de drank.
De teksten die Wagner voor zijn Gesamtkunstwerke wrochtte, zijn zonder de orkestrale begeleiding niet te genieten, met hun overdreven alliteratie en pathos.
Het is voor een dichter natuurlijk leuk op muziek gezet te worden, maar een geslaagd gedicht heeft dat niet nodig. Veel moderne Nederlandse poëzie zingt niet, en is een soort proza geworden, maar oorspronkelijk streefde de dichtkunst naar welluidendheid: de Nederlandse vertaling van sonetto luidt niet voor niets ‘klinkdicht’.
Kans op een meesterwerk
Een geval apart is het in schilder- of beeldhouwkunst weergeven van literatuur. Naarmate het verband met het verhaal minder hecht is, heb je meer kans op een meesterwerk. Bij veel op Ovidius’ Metamorfosen of de Bijbel teruggaande schilderingen of sculpturen storen die bronnen niet. Dat De Denker en De Kus van Rodin naar Dante verwijzen, is alleen ingewijden bekend.
Veel letterkundige verbeeldingen zijn echter niet meer dan illustraties; kennis van het afgebeelde tafereel is essentieel voor de waardering. De museumkelders hangen vol met verhalende Romantische doeken uit de 19de eeuw, die niemand mist.
Iets anders is het naast elkaar optreden van verschillende kunstvormen. Mij werd onlangs gevraagd gedurende het komende Beethovenjaar 2027 eigen werk voor te dragen, als intermezzo bij kamermuziek. Daar zie ik naar uit. U evenzeer, verstout ik me te hopen.