Slechts zelden is het vroegste werk van een groot kunstenaar meteen in de roos. Er zijn uitzonderingen, vooral in de muziek: Mozart heeft denk ik helemaal niets slechts gecomponeerd; sommige dingen zijn minder diepgravend dan andere, maar echte missers, zoals bij Beethoven, zijn bij dit ‘onverdiende geschenk aan de mensheid’ (zoals zijn biograaf Hildesheimer hem noemde) niet aan te wijzen.
Dit is een zeldzaamheid. Meestal, in het bijzonder waar het de literatuur betreft, heeft een talent tijd nodig om tot wasdom te geraken. Als van Dante alleen de Vita nova was overgeleverd, en hij niet vervolgens de Commedia geschapen had, zou zijn naam alleen bekend zijn bij geleerden die zich in de vroeg-Italiaanse letterkunde verdiepen. De eerste drie bundels van Rilke zijn louter interessant in het licht van zijn latere oeuvre.
De reputatie van Vasalis
Het is eigenlijk jammer dat men iedere snipper van een bewonderde schrijver opdiept en uitgeeft. De teruggevonden verzen van Elsschot bewijzen dat hij gelijk had ze bij leven niet te willen publiceren, en het postuum uitgeven van door haarzelf verworpen gedichten heeft de reputatie van Vasalis geen goed gedaan.
Zonder mij verder met de genoemden te willen vergelijken (ik zeg het maar, ik zeg het maar!), zie ik evenmin met voldoening terug op mijn wankele beginnersschreden als dichter. Het begon bij mij als bij iedereen in de puberteit, en onder invloed van de Vijftigers meende ik dat poëzie een vorm van wartaal was. ‘hollend hokkend in / een hulpeloze vrouw / was tegen de maatschappij / geen kruid gewassen / en geen god gedood’, dat werk, natuurlijk zonder zoiets burgerlijks als hoofdletters en interpunctie. Ik dacht dat het zo hoorde, al is dat geen excuus.
Gelukkig keerde ik al snel terug van de dwalingen mijns weegs, maar ik heb de indruk dat in de Nederlandse dichtkunst nog steeds het misverstand heerst dat het poëtisch gehalte groter wordt naarmate de onbegrijpelijkheid toeneemt. Dat bundels daardoor vrijwel niet gelezen worden, neemt men voor lief.
In mijn puberteit meende ik dat poëzie een vorm van wartaal was
Voor mij is de ontdekking van de vaste vorm een openbaring geweest. Ik merkte dat je juist in het keurslijf van sonnet, rondeel en kwatrijn gedwongen werd tot het precies en bondig formuleren van wat je wilt zeggen. Dat laat tevens weinig ruimte voor flauwekul. Het is raar dat beheersing van de techniek, die bij beeldende kunst en muziek vanzelfsprekend geacht wordt, argwaan wekt wanneer het literatuur betreft.
Ook in de poëzie grenst het sublieme echter griezelig dicht aan het belachelijke; hoe verhevener, des te riskanter. Eén onbedachtzaamheid kan een gedicht bederven, en soms bakt de tijd de dichter een poets; het beroemde sonnet van Bredero ‘Vroegh in den dageraet de schoone gaet ontbinden’, wat ook nog rijmt op ‘de liefelijkste winden’, kan men niet meer zonder gegiechel in de klas behandelen.
Een dichter die zoals velen die weinig te melden hebben het liefst schilderijen tot onderwerp koos – ik zal zijn naam uit overwegingen van menslievendheid verzwijgen –, maakte eens een sonnet over De Staalmeesters van Rembrandt. Na een beschrijving in de eerste acht regels (‘Eén ziet ons aan, één staat half op’) verloor hij waarschijnlijk de context enigszins uit het oog, en begon het beschouwende sextet met de woorden: ‘Dan valt het doek’.