Zo’n vijftig jaar geleden las ik voor het eerst een gedicht van Kavafis in een Italiaanse vertaling. Het ging over een liefdesnacht boven een morsig café, en gezien mijn eigen situatie toen, ervoer ik het als voor mij geschreven.
Ik wist nog niets over de dichter, en uit de tekst was niet op te maken dat het een homoseksuele liefdesnacht betrof. Als ik dat geweten had, had ik het anders gelezen, wat onterecht is, want een goed gedicht is een goed gedicht.
Konstandinos Kavafis (29 april 1863 - 29 april 1933) is de bekendste, en buiten het Griekse taalgebied waarschijnlijk de enig bekende, naam uit de Nieuwgriekse letterkunde. Lange tijd was dat voor Grieken enigszins problematisch, vanwege de onverhulde homo-erotiek die in zijn werk een grote rol speelt. Wij mogen dan wel, in navolging van Gerard Reve, over ‘de Griekse beginselen’ spreken wanneer we het daarover hebben, de Grieken zijn een mediterraan volk, met alle machismo van dien.
Afwerkplek
(Er schijnt lange tijd een ‘afwerkplek’ langs een autoweg bij Athene geweest te zijn, waar zich mannelijke prostitués aanboden, die evenwel als vrouw verkleed waren; toen dit op de landelijke tv werd onthuld, waren hun klanten de klos, want die konden niet meer doen of ze het bedrog niet opgemerkt hadden.)
Zoals dat dikwijls gaat, kwam Kavafis pas op rijpere leeftijd met zijn geaardheid in het reine, en zijn weemoedige herinneringen aan vergane schoonheid vormen een universele klacht over het voorbijgaan van de tijd, wat volgens mij het hoofdthema van alle grote kunst is, en waarbij iemands geslachtelijke voorkeur niet ter zake doet.
Een verademing dat ik Kavafis niet meer tot me hoef te nemen in het Italiaans
Het grootste deel van zijn leven woonde de dichter in Alexandrië, waar hij ook gestorven is (hij komt herhaaldelijk voor in Lawrence Durrells veelgelezen Alexandria Quartet, waar hij consequent the old poet of the city genoemd wordt), en veel van zijn verzen gaan over Oudgriekse en Hellenistische onderwerpen.
Het moet wonderlijk zijn om als dichter te kunnen putten uit je eigen eeuwenoude culturele achtergrond. De meeste Europese literaturen gaan terug tot de Renaissance en als het meezit hooguit tot de late Middeleeuwen, de Russische en Roemeense zelfs slechts tot het begin van de Romantiek, eind 18de eeuw. Kavafis beweegt zich als vanzelfsprekend te midden der Ouden, in hetzelfde schrift als zij.
Hero Hokwerda
Zijn grote postume roem – gedichten zoals Ithaka of Wachtend op de barbaren zijn een eigen leven gaan leiden – brengt mee dat er verscheidene vertalingen van zijn werk zijn gemaakt. Dat is niet erg: Dantes Commedia en de sonnetten van Shakespeare worden ook telkens opnieuw verdietst.
Na de wat stijve en slordige vorige pogingen is er nu een nieuwe weergave, door de gelauwerde Groningse vertaler Hero Hokwerda, fraai vormgegeven door de eveneens Groningse Historische Uitgeverij. Dit is de eerste keer dat aan Kavafis’ subtiele verstechniek volledig recht gedaan wordt: zowel het metrum als het bijwijlen onverwacht optredende rijm blijven gehandhaafd, zonder dat het gekunsteld aandoet; een grote verdienste (en ik weet waarover ik het heb).
Achterin het boek krijgen de gedichten een gedegen toelichting, wat bij de vele verwijzingen niet overbodig is. Het is een verademing dat ik Kavafis nu niet meer tot me hoef te nemen in het Italiaans.