Waar ik iets te vieren had, staken verscheidene vrienden de koppen bijeen om een origineel cadeau te bedenken, en kwamen uit op een diepgaand onderzoek naar mijn voorgeslacht, te verrichten door een heuse genealoog die toevallig tot de vriendenkring behoorde.
Nu heb ik nooit erg veel belangstelling gekoesterd voor de sibbekunde, en in deze – in dubbele zin oorspronkelijke – studie wordt een waarschuwing dienaangaande aangehaald, die ik ooit hier formuleerde: dat je bij het uitpluizen van je familiegeschiedenis voor onaangename verrassingen kunt komen te staan, bijvoorbeeld door het opduiken van een voorzaat die op de Grote Markt terechtgesteld is.
Teneinde zulke ontluisteringen te vermijden, kun je je wenden tot allerlei onbetrouwbare bureautjes, die tegen betaling gegarandeerd met een vleiende voorgeschiedenis op de proppen komen, steevast met familiewapen en een welluidend motto, bij voorkeur in het Latijn. Aangezien iedere Europeaan, naar men zegt, statistisch gezien Karel de Grote onder zijn voorvaderen moet hebben, zijn we allemaal van adel.
Onbeduidende handwerkslieden
Kunstbroeder Jan Kal meende ooit ontdekt te hebben dat hij afstamde van de dichtende hertog Jan van Brabant (bij bierdrinkers beter bekend als Cambrinus), en schreef er terstond een sonnettenbundel over, Een dichter in mijn voorgeslacht. Zoiets doet zich bij mij helaas niet voor. De meeste Rawietjes en hunne verwanten blijken onbeduidende handwerkslieden geweest te zijn, sjouwers, schrijnwerkers, koopvaardijschippers en wat dies meer zij. Geen spoor van de Duinkerker kaper, van wie me altijd verteld was dat zijn bloed ons door d’aders vloeide. Naarmate men ouder wordt, verliest men zijn illusies één voor één.
De enige literator in mijn stamboom is Hendrik Essenberg, de grootvader van een betovergrootmoeder van moederskant, en schrijver van een vijftal onmiddellijk na zijn dood volstrekt vergeten boeken. Hij was aanvankelijk leerkracht, en werd tijdens de Bataafse Republiek aangesteld als belastinggaarder te Oostvoorne, maar na enige ongeregeldheden in de administratie vluchtte hij naar Amsterdam, waar hij in 1804 in bittere armoede stierf.
De enige literator in mijn stamboom schreef een vijftal onmiddellijk na zijn dood vergeten boeken
Een opmerkelijke passage komt voor in zijn autobiografische roman Levensgevallen van Joachim Penneschaft, waar Essenberg beschrijft hoe de hoofdpersoon, een jeugdige hulponderwijzer, die inwoont bij een schoolhoofd met de eigenaardige naam Arithmeticus, verleid wordt door diens veertigjarige, eenogige dochter. Ze komt hem opzoeken in zijn bedstee ‘in de boekenkamer’, en vraagt of hij het niet koud heeft zo alleen. Zijn panische ontkenning negerend, zegt ze: „Zou je niet liever met mij slapen? Ik heb warm bloed…”
Van het één komt het ander, en op een gegeven ogenblik worden ze betrapt door de oude hoofdonderwijzer, waarna het ‘vuil en netelig geval’ ontaardt in een scheld- en vechtpartij met, zoals dat heet, ‘alleen maar verliezers’. Volgens de bevriende genealoog is dit het eerste #MeToo-geval van een oudere vrouw met een jonge jongen in de Nederlandse letterkunde, dat desondanks geen vermaardheid heeft mogen verwerven.
Om hieruit te concluderen dat ik mijn poëtische gaven van niemand vreemd heb, zou te ver voeren. Het doet me denken aan een Groningse hoogleraar (wiens naam ik kiesheidshalve verzwijg), die geprezen werd voor zijn vaardigheid in het schrijven van sinterklaasverzen. Dat was evenwel geenszins zíjn verdienste, verklaarde hij bescheiden, maar erfelijk bepaald: zijn opa was getrouwd geweest met een zus van de dichter P.C. Boutens.