Toen ik ten gevolge van mijn kleurrijke levenswandel in 1987 met een acute pancreatitis in het AMC was beland (pancreatitis is het deftige woord voor ontsteking van de alvleesklier), verscheen op zeker ogenblik ‘de professor zelf’ aan mijn bed met de onverbiddelijke boodschap „U mag nooit meer drinken.”
Dat bevreemdde mij, want als je niet drinkt, ga je dood, dat wist ik zeker. Pas na enige tijd drong tot me door dat hij het over alcoholhoudende dranken had. Na een maandenlang verblijf in het ziekenhuis heb ik inderdaad drie jaar lang geen druppel geestrijk vocht tot me genomen, wat wonderbaarlijk gunstig was voor mijn productiviteit, maar het leven een stuk minder genietbaar maakte.
De omgang met de medemens verliep beduidend stroever, en ik had geen geduld met de koetjes en kalfjes die het grootste deel van het intermenselijke contact uitmaken. Het ergste waren de etentjes, die voor mijn gevoel eindeloos voortduurden, en waarbij iedereen allengs vrolijker werd, zonder dat daar in mijn ogen aanleiding toe was.
Sylvia Witteman
Ik hield het op water, want alcoholvrije wijn was in die dagen vrijwel niet te drinken. Of dat inmiddels beter is betwijfel ik, afgaande op een ervaring die Sylvia Witteman onlangs beschreef. Zij en huisgenoot P. (zoals ze haar eega pleegt aan te duiden) hadden om één of andere reden besloten een tijdje matigheid te betrachten, en probeerden allerlei soorten wijnvervangende sapjes uit.
Waarin verschillen Mussolini, Stalin, Hitler, Poetin en Trump van Churchill
Dat was een teleurstellende zoektocht, tot ze opeens een heel smakelijke te pakken hadden. Helaas bestudeerde hun zoon het etiket wat grondiger, en stelde vast dat het een fles betrof met 13 procent alcohol, die onbedoeld tussen de surrogaten verzeild was geraakt.
Ook mijn liefdesleven leed onder de versterving. Ik kon de voor verleiding onontbeerlijke prietpraat niet meer over mijn lippen krijgen, en had er geen zin in ten zoveelsten male uit te leggen dat de aarde rond was (wat ik niet eens zeker wist). Een onbegeerd celibaat lag op de loer.
Na drie jaren onthouding was ik getuige bij een huwelijk, en tijdens de daaropvolgende receptie liet ik me, na lang aandringen, verleiden tot een glaasje champagne. Nu houd ik eigenlijk helemaal niet van bubbeltjes, maar daarmee was wel iets doorbroken, en het betekende het einde mijner ascese.
Amsterdamse tram
Weliswaar heb ik nog steeds een heilig ontzag voor sterke drank, en houd ik het alleen bij wijn; zelfs port is me vaak al te heftig. Het grote voordeel van wijn is dat je er uiteindelijk genoeg van krijgt, al duurt dat bij mij onbetamelijk lang. Dat doet zich bij genever niet voor; zoals Carmiggelt zei: het is net als met de Amsterdamse tram, er kan er altijd nog eentje bij.
Natuurlijk is mij niet ontgaan dat er veel ongelukken gebeuren door alcohol, en dat een eendrachtig begonnen gelach dikwijls in handgemeen ontaardt. Toch kun je niet zeggen dat landen waar alcohol taboe is opvallend vredelievender zijn dan andere.
Voorts geeft het te denken dat het enige wat verder zo verschillende staatslieden als Mussolini, Stalin, Hitler, Poetin en de huidige president der Verenigde Staten gemeen hebben (en wat hen onderscheidt van een gezellige innemer als Churchill) hun humorloze geheelonthouderschap is.