Je had in de tweede helft van de vorige eeuw een aantal excentrieke hoogleraren in Groningen, onder wie Jan Pen, ‘Nemmie’ Scheltema, Jean Jonxis en de geduchte historicus (jonkheer) Pieter van Winter. Men deed toen nog tentamen bij de professor thuis, en het verhaal gaat dat Van Winter een tafel voor zijn bureau had staan, waarvan het kleedje aan de kant van de student geheel kaal was geplukt.
Twee typerende uitspraken hebben hem overleefd: ‘Weet u dan tenminste welke kleur het boek had, dat u geacht werd hiervoor te bestuderen?’ en ‘Mijn dochters trouwen niet, mijn dochters promoveren’.
Aan dat laatste moest ik denken, toen afgelopen vrijdag Clemens Lokin in Nijmegen de doctorshoed verwierf, waarmee hij de vierde telg uit het gezin was die promoveerde. Dat is nogal uitzonderlijk, docht mij, en er moet bij gezegd dat alle vier daarnaast keurig getrouwd of aangeleund zijn. (Van die doctorstitel merk je overigens niets, want het zijn allemaal juristen, en die blijven zich ook na hun promotie eenvoudig Mr. noemen; wantrouw rechtsgeleerden die zich als Mr. Dr. laten aanschrijven!).
De aula van de Nijmeegse Radboud-universiteit is bij benadering niet zo fraai als die in Groningen, al zijn de stoeltjes een stuk gerieflijker, wat na de aanzienlijke treinreis weldadig aandeed. Stemmig en van couleur locale getuigend werd de plechtigheid geopend met een korte afsmeking van ’s Heren zegen in het Latijn: het is tenslotte een katholieke instelling.
De promovendus, die in het studentencabaret zijn sporen verdiend heeft, oogde ontspannen, en de opposities waren onverdeeld welwillend van toon. Een vrolijk moment deed zich voor toen een uit Groningen afkomstige hoogleraar een hem onbekende autoriteit ter sprake bracht, die in het te verdedigen proefschrift voorkwam. Hij wist niet of hij diens naam, Laband, uit moest spreken met het accent op de eerste of de tweede lettergreep. De doctor in spe veronderstelde dat zijn opponent als noorderling wel de neiging zou hebben de nadruk op de eerste te leggen, maar dat het toch echt Labánd moest zijn. Hij dacht hier ongetwijfeld aan de vaak verkeerde uitspraak van zijn eigen achternaam, een ervaring die ik deel (‘Ráwie’ in plaats van het correcte ‘Rawíe’).
De dissertatie, over de 19de-eeuwse ‘geleerdste advocaat van Nederland’, Isaäc Abraham Levy, behelsde veel waarvan ik nog nooit gehoord had, al trok ik natuurlijk een gezicht alsof dat wel het geval was.
Na de receptie was er een besloten ontvangst in een plaatselijke gelegenheid, die enigszins aanmatigend De Hemel heet. Dat is langzamerhand een familietraditie van de Lokins, want enige jaren her, toen het de beurt was aan doctor nummer drie, was het ook op die locatie dat de nazit gehouden werd.
Bij die gelegenheid deed zich iets voor, waarover ik toen een zogeheten Ikje naar de NRC heb gestuurd, dat vermoedelijk als te gezocht verworpen werd, ofschoon het echt gebeurd is. Een ook nu weer aanwezige geestelijke uit de vriendenkring, die nog iets doen moest in de stad, kwam iets later, en wist niet waar het etablissement precies gevestigd was.
Derhalve vroeg hij, met zijn pastoorsboordje om, volkomen te goeder trouw de weg aan enige terrasbezoekers: „Kunt u me zeggen waar De Hemel is?”