Netty Bos-Veneman uit Loppersum heeft een bescheiden achtergrond, maar wist zich op te werken tot jeugdarts. Foto: Nienke Maat
Netty Bos-Veneman (49) werd arts ondanks, of misschien wel dankzij, haar bescheiden achtergrond. Nu zet ze zich in voor diversiteit in de geneeskunde en helpt ze toekomstige doktoren die zich net als zij niet altijd op hun plek voelen.
Toen een jonge Netty Bos-Veneman zich begin jaren 90 meldde op de open dag van de studie geneeskunde bij de Rijksuniversiteit Groningen, rende ze nog net niet hard weg. De faculteit was intimiderend groot. Ze wist niet hoe ze zich er moest bewegen en gedragen en het taalgebruik begreep ze niet. Ze voelde zich klein, heel klein.
Nu is ze bij het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) jeugdarts, arts maatschappij en gezondheid en verantwoordelijk voor het onderwijs binnen de afdeling sociale geneeskunde.
Het was absoluut geen vanzelfsprekendheid dat Bos-Veneman met haar achtergrond arts zou worden. Haar moeder had de huishoudschool gedaan, maar zat in de bijstand en was alleenstaand. Vader was lange tijd uit beeld, en voor die tijd werkloos. En toch ging de jonge Netty er voor.
Sociale stijgers
Dit is deel 5 van de serie ‘Sociale stijgers’. Veel mensen in de noordelijke provincies zijn een sociale stijger. Ze zijn van eenvoudige komaf en door studie en werk opgeklommen op de maatschappelijke ladder, al dan niet tegengewerkt door de sociale omgeving. In een reeks artikelen over dit fenomeen laten wij (ervarings-)deskundigen aan het woord.
Ze zit aan de eettafel, thuis in Loppersum, en kijkt uit over de weilanden waar een paar keer per uur een trein voorbijraast. „Het was een grote schok. Op die open dag dacht ik: wij horen hier niet thuis.” Ze schaamde zich voor haar achtergrond. „Mijn stiefvader was buschauffeur. Dat ging ik echt niet vertellen aan studiegenoten met hoogopgeleide ouders.”
Moeder was heel betrokken
In diepe armoede is ze niet opgegroeid, benadrukt Bos-Veneman. Maar breed hadden ze het thuis ook niet. Haar docent op de middelbare school had geloof in haar, vertelt ze. Dat gaf het zetje om geneeskunde te studeren. En haar moeder wilde dat graag voor haar.
„Maar het kostte zo ontzettend veel moeite.” Een glimlach verschijnt op haar gezicht: „Mijn moeder deed enorm haar best en wist precies wanneer ik tentamens had. Ze was heel betrokken en applaudisserend. Maar ik moest wel zelf de financiën regelen.”
Talent voor overleven
Pas sinds een aantal jaar heeft ze het volledige besef welke barrières ze allemaal heeft moeten overwinnen. „Mijn collega’s wisten tot kortgeleden nooit waar ik vandaan kwam”, zegt ze enigszins beschaamd. Maar waar ze vandaan kwam, is juist cruciaal gebleken. „Ik heb een talent voor overleven”, vertelt ze met een grijns. „Ik heb doorzettingsvermogen en motivatie.”
Met die instelling begon ze in 1993 aan de opleiding geneeskunde om in 2000 af te studeren. Is er sindsdien iets veranderd voor eerste generatie studenten? „In woorden wel”, zegt Bos-Veneman. „We hebben in de medische wereld de mond vol van diversiteit en inclusie. Maar in de praktijk is er niets veranderd.”
Met een achterstand beginnen
Ze wijst op een promotieonderzoek van socioloog Lianne Mulder bij het Amsterdam UMC uit 2022. Zij toonde aan dat scholieren met een niet-Europese achtergrond of laagopgeleide ouders veel minder kans hebben om toegelaten te worden tot de opleiding geneeskunde. Kinderen van hoogopgeleide ouders of ouders die werkzaam zijn in de zorg hebben daarentegen een enorme voorsprong.
Mulder laat in haar promotieonderzoek zien dat meer dan de helft van de geneeskundestudenten een ouder heeft met een inkomen binnen de hoogste 10 procent van alle inkomens. Het is alsof je scholieren die op een elektrische fiets naar school komen beloont omdat ze er zo snel zijn, stelt Mulder. De scholieren die met een gewone fiets en fikse tegenwind later komen, mogen het lokaal niet meer in. Het zorgt voor een medische wereld die absoluut geen afspiegeling vormt van de maatschappij.
Te weinig geneeskundestudenten hebben een eigen verhaal, vindt Netty Bos-Veneman. Foto: Nienke Maat
En als de studenten vanuit die lagere sociale klasse toch instromen, lopen ze sneller vast in de studie en weten ze minder goed waar ze informatie kunnen vinden, blijkt uit onderzoek. Ze krijgen sneller het gevoel niet goed genoeg te zijn en vinden het lastiger een professioneel netwerk op te bouwen.
Meer dan driekwart van de geneeskundestudenten heeft een ouder met een wo- of hbo-diploma, zegt Bos-Veneman. „En daarvan heeft het merendeel weer een ouder die dokter of verpleegkundige is.” Met een cynische blik: „Zo uniform is onze toekomstige groep artsen.”
Dat is een slechte zaak, vindt ze. Als een arts niet bekend is met talen, culturen, gewoonten of financiële posities van patiënten, kan die ook niet altijd de beste zorg leveren.
Ervaringsdeskundigheid
Bos-Veneman merkt wekelijks in haar colleges dat de achtergronden van de studenten te veel op elkaar lijken, zegt ze. Doordat het grootste deel van de studenten uit dezelfde laag van de samenleving komt, leren ze niet van elkaar. „Te weinig studenten hebben een eigen verhaal. Als ik voor een collegezaal sta en praat over armoede, verslavingen, overgewicht of kindermishandeling, missen ze een belangrijk stukje ervaringsdeskundigheid die je een betere zorgprofessional maakt.”
Een diverse groep artsen kan een diversere groep patiënten behandelen, is haar uitgangspunt. „Diversiteit helpt de gezondheidszorg verder. De kracht van mensen met een andere achtergrond is dat ze gemotiveerd zijn, niet de kop laten hangen en een hoge lat hanteren. We zijn creatieve denkers, omdat je vanaf het begin al moet kijkenhoe het anders kan. We zijn niet veroordelend en kunnen ons beter verplaatsen in mensen. Dat is een talent dat we nodig hebben in de zorg. Daarmee kun je verandering teweegbrengen.”
Eerste generatie netwerk
In Groningen heeft Bos-Veneman samen met collega’s Marco Boonstra en Ilse van Zandvoort een netwerk opgericht voor jongeren die als eerste in hun familie zijn gaan studeren. Daarmee wil ze toekomstige artsen met een andere achtergrond helpen en behouden voor de gezondheidszorg. Zij krijgen ondersteuning om niet vast te lopen tijdens hun studie. Het idee voor dit eerste generatie netwerk ontstond op een open dag, twee jaar geleden.
„Ik werd gevraagd om daar te spreken en na mij vertelde de selectiecommissie aan 500 jonge mensen over de selectieprocedure voor de opleiding geneeskunde. Ik hoorde dat aanen dacht: als ik dit had moeten doen, was ik nooit arts geworden. En ik ben een heel goede dokter.”
Ze trok de stoute schoenen aan, pakte opnieuw de microfoon en riep iedereen die aan zichzelf begon te twijfelen op bij haar te komen: „’Ik ga je helpen', zei ik.” Aan het einde van de open dag vroegen dertig scholieren om haar hulp. De een groeide op in de bijstand, de ander had een migratieachtergrond. „Die verhalen deden me veel. Ik kwam huilend thuis.”
In de weken na de open dag hielp Bos-Veneman de scholieren aan een coaching programma. Vier studenten van die eerste groep zijn doorgegaan. Toekomstige artsen met een andere achtergrond waar de samenleving baat bij heeft.
Vreemde eend in de bijt
Maaike Mepschen (27) uit Dalen is derdejaars student geneeskunde. Ze voelde zich vanaf het eerste moment een vreemde eend in de bijt. Haar moeder werkte jarenlang in een supermarkt en haar vader is onderhoudsmonteur. Vooral haar eerste jaar was eenzaam en voelde ze zich onbegrepen.
„Mijn studiegenoten leefden in een andere wereld”, vertelt ze. „Het heeft echt een tijd geduurd voordat ik me op mijn plek voelde.” Ze moest zich in het begin met andere studenten voorstellen en vertellen wat haar ouders deden. Het bleek een confronterende vraag. „Iedereen had hoogopgeleide ouders, behalve ik. Ik schaamde me niet voor mijn afkomst, maar het voelde op dat moment niet comfortabel. Alsof ik met een achterstand begon.”
‘Ik overwoog te stoppen’
Hetzelfde had Wally van der Laan (24) uit Beerta. Zijn vader maakte de middelbare school niet af en werkt bij een palletfabriek in Finsterwolde. Moeder was bloemist, toen huisvrouw en later nagelstylist. „In de familie zit niemand met een academische achtergrond”, zegt hij. Tot nu. Van der Laan begint in de zomer met zijn coschappen en wil uiteindelijk kinderoncoloog worden.
Wally van der Laan (24) uit Beerta is geneeskundestudent en begint in de zomer met zijn coschappen. Foto: Nienke Maat
Zijn achtergrond maakte dat hij er gevoelsmatig alleen voor stond. „Mijn ouders hadden wel wat voor me gespaard, maar ik moest vrijwel alles zelf betalen. Alleen al de boeken kostten 1200 euro.”
Eenmaal op de opleiding, merkte hij meteen dat hij achter de feiten aanliep. „Iedereen had zich ingelezen en ik wist niet eens dat er een syllabus was.” Hij voelde dat-ie er met zijn ouders niet over kon praten. „Toen ik mijn eerste twee tentamens niet had gehaald, overwoog ik al te stoppen.”
Voortdurende spagaat
Eerste generatie studenten zitten in een voortdurende spagaat, vertelt Mepschen. Zowel zij als Van der Laan willen een master combineren met promotieonderzoek. Ze doen belangrijk werk en vinden dat leuk. „Maar het is ook eng”, zegt ze. „Ik ben soms bang dat het voor mijn familie voelt alsof ik me van hen afzet. Alsof ik impliciet met mijn verleden breek. Maar ik ben juist heel trots op waar ik vandaan kom.”
Maaike Mepschen (27) uit Dalen is derdejaarsstudent geneeskunde. Foto: Nienke Maat
Vanuit thuis voelen eerste generatie studenten niet altijd begrip of steun en als dat er wel is, hebben ze nog steeds een achterstand. Het eerste generatie netwerk helpt hen.
Andere belevingswereld
Nu willen Mepschen en Van der Laan hun eigen ervaringen doorgeven aan volgende scholieren of eerstejaars studenten. Het komt de gezondheidszorg ten goede, is hun stellige overtuiging. „Als je alles op een zilveren bord krijgt aangereikt en nooit met ziekte of tegenslag te maken hebt gehad, word je niet snel een goede dokter”, zegt Van der Laan.
Mepschen: „Ik hoor studenten soms zeggen dat het eigen risico in de zorg niet veel is, maar voor sommige mensen is bijna 400 euro heel veel geld. Ik denk dat ik beter bij de belevingswereld van patiënten kan aansluiten. Het is leuk dat er richtlijnen zijn en wij kunnen een recept uitschrijven, maar als mensen geen geld hebben voor de medicijnen, werkt het niet.”
Impact hebben op de zorg
Juist in regio’s als Oost-Groningen, Noordoost-Friesland en Zuidoost-Drenthe zit volgens Bos-Veneman veel ongebruikt potentieel. „Die scholieren willen we hebben”, zegt ze vol enthousiasme. „We willen hier het liefst voor de regio opleiden.”
Bos-Veneman werkte eerder bij de GGD als jeugdarts op asielzoekerscentra, maar maakte bewust de overstap naar het onderwijs en het UMCG. „Als je echt impact wilt hebben op gezondheidszorg, moet je bij studenten beginnen.” En eigenlijk zelfs eerder, zegt ze. „Je ziet op basisscholen al dat kinderen met talent hun kop maar niet boven het maaiveld uit moeten steken en leerkrachten kinderen lager inschatten.”
"We zijn niet veroordelend en kunnen ons beter verplaatsen in mensen. Dat is een talent dat we nodig hebben in de zorg." Foto: Nienke Maat
Iets met een ‘a’
Na al die jaren voelt Netty Bos-Veneman zich nog steeds niet altijd thuis in de medische wereld. „De sterke conservatieve hiërarchie begrijp ik niet. Het is ook zo wit en uniform. Met een andere achtergrond is dat nog steeds lastig te begrijpen. Als we na een promotie met allemaal slimme hoogleraren uit eten gaan, liggen daar vier vorken en drie messen op tafel. Ik voel me ongemakkelijk over het geld dat wordt uitgegeven en vraag me de hele avond af of het niet wat minder had gekund.”
Zenuwachtig wordt ze er niet meer van, maar tot op de dag van vandaag wordt ze door haar andere achtergrond geconfronteerd met het verschil tussen haar en het merendeel van de medisch specialisten. Kreeg ze op haar eerste dag in 1993 taal te horen die ze niet begreep? Dat gebeurt ruim 30 jaar later nog steeds.
Ze vertelt over een gesprek met een collega, maar komt niet op het woord dat gezegd werd. „Het was iets met een ‘a’, dat je iets uit goede wil doet?” Ze graaft in haar geheugen en begint enigszins gefrustreerd te worden dat ze er niet op komt. „Ik wist gewoon niet wat het betekende, dus praatte er wat omheen. Maar later moest ik heel erg om mezelf lachen: ‘Hallo, ik ben bijna 50 jaar oud! Waarom durf ik niet gewoon te zeggen dat ik niet weet wat dat woord betekent?’ En toch is het zo.”
Een paar dagen na het interview stuurt Bos-Veneman een e-mail. „Het vergeten woord was altruïstisch”, schrijft ze. Die term past haar wel. Het is de tegenpool van egoïstisch.