Illustratie: Gerco van Beek Illustratie: Gerco van Beek
Dubbeltjes die kwartjes zijn geworden heten sociale stijgers of transklassers. Ze staan met het ene been in de arbeidersklasse en met het andere in een hogere klasse. Een verhaal over gespletenheid, dubbele loyaliteit en rennen in de buitenbocht.
Doetie heeft twee universitaire graden. Ze publiceert, houdt lezingen. Voelt zich op haar plaats tussen haar collega’s en de mensen die ze beroepsmatig ontmoet. Maar soms, heel soms, slaat de twijfel toe. Dan is ze weer even de arbeidersdochter die zich afvraagt of ze ‘hier’ eigenlijk wel hoort. Of ze wel goed genoeg is voor het werk dat ze doet. En dan vreest ze door de mand te vallen.
Doetie heeft last van het ‘imposter syndrome’, oftewel het bedriegerssyndroom. Mensen als Doetie onderschatten zichzelf. Hoewel maatschappelijk geslaagd, zijn ze onzeker. Ze schrijven hun prestaties niet toe aan hun eigen vaardigheden of intellect, maar aan geluk en hulp van anderen, legt Lenette Schuijt in haar boek Transklasse, leven in twee werelden uit.
Sociale ladder
Dit gevoel van minderwaardigheid komt vaak voor bij transklassers, schrijft Schuijt. Een transklasser, ook wel sociale stijger, heeft de sociale ladder beklommen. Hij (of zij) belandde door studie of werk in een hoger milieu. Maar is, zo tekent ze aan, niet helemaal overgegaan naar de andere klasse. De transklasser heeft iets behouden van zijn oorspronkelijke milieu en maakte zich gewoonten eigen van de nieuwe klasse, waartoe hij nu behoort.
Daardoor ervaren de meeste transklassers een soort gespletenheid. Onrust, twijfel en onzekerheid liggen volgens Schuijt, tuindersdochter die het via een academische opleiding tot schrijfster en consultant bracht, altijd op de loer. Over zichzelf zegt ze het volgende: ‘Ik raak nooit helemaal thuis in deze nieuwe wereld. En dus leef ik in twee werelden. Of, zoals de Fransen zeggen, met mijn achterwerk tussen twee stoelen.’
Niet zonder slag of stoot
Het ontstijgen van de arbeidersklasse, oftewel klassenmigratie, gaat niet zonder slag of stoot, leert menig onderzoek. Sociale stijging is een zegen voor de maatschappij, onder meer door de toename van economische productiviteit en volksgezondheid, schrijven de hoogleraren Jo Thijssen en Peter Leisink en universitair hoofddocent Mick Matthys in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken.
De sociale stijgers belanden volgens hen in het hoger onderwijs door hun intelligentie en arbeidsethos: ‘het zijn begaafde doorzetters die door intelligentie, discipline en inzet, zonder veel inhoudelijke steun vanuit hun ouders en zonder kostbare bijlessen, voor hun examens zijn geslaagd’.
Maar tegelijkertijd is klassenmigratie een belasting voor de individuele sociale stijger, zo halen ze aan, vanwege het risico om in een sociaal isolement terecht te komen. Class jumping, zo stellen zij, is een voedingsbodem voor persoonlijke problemen.
‘De sociale stijgers komen, als zij studeren en later als zij hun beroep uitoefenen, terecht in een culturele omgeving die zij van huis uit niet kennen. Zij voelen zich er vaak totaal niet thuis. Ze hebben moeite met autoriteit, maar tonen zich eveneens onderdanig en dienstbaar. Van huis uit is men niet voorbereid op een ongedwongen omgang met superieuren’, aldus Thijssen, Matthys en Leisink.
Tegelijkertijd voelen ze zich ook niet meer op hun plek in hun oude milieu. Zij duiden die strijdige gevoelens als ‘dubbele loyaliteit’.
Gespleten habitus
De Franse socioloog Pierre Bourdieu stelt in zijn boek La Distinction dat mensen uit de midden- en arbeidersklasse die hogerop willen, niet genoeg hebben aan hun eventuele hoge opleiding om volledig geaccepteerd te worden door de hoogste klassen. Ze beschikken niet over genoeg ‘cultureel kapitaal’, hoge cultuur zit niet in hun ‘habitus’.
Bourdieu, zoon van een postbode en opgegroeid in een boerengemeenschap aan de rand van de Pyreneeën, spreekt daarom van een gespleten habitus: iemands leven verandert dusdanig dat hij door ontwrichting en innerlijke verdeeldheid een gevoel van zelfverscheurdheid ervaart. Volgens Bourdieu kan iemand nooit echt ontsnappen aan zijn klasse.
Rennen in de buitenbocht
Arbeiderszoon Matthys promoveerde in 2010 op een onderzoek naar de loopbaan en levensloop van academici uit de arbeidersklasse, getiteld Doorzetters. In 2021 verscheen de herziene versie: Rennen in de buitenbocht.
Hij interviewde 33 Nederlandse en Vlaamse universitair afgestudeerden, die uit de arbeidersklasse afkomstig zijn. Hij tekende op hoe zij aan de universiteit terechtkwamen en hoe het hen in de samenleving verder verging.
Een geïnterviewde gaf aan dat hij altijd het gevoel had dat hij iets extra’s moest doen om erbij te blijven, alsof hij in de buitenbocht liep. De conclusie was dat een kind uit een arbeidersmilieu veel meer inspanning moet leveren om tot hetzelfde resultaat te komen.
Mammoetwet
De invoering van de Mammoetwet in 1968 moest iedereen gelijke kansen bieden in het onderwijs. Mulo en hbs werden afschaft, ervoor in plaats kwamen mavo, havo en vwo. Waar stapelen voorheen vrijwel onmogelijk was, konden leerlingen voortaan van het ene niveau naar het andere doorstromen. Zo werd de universiteit dankzij de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals de Mammoetwet officieel heet, ook bereikbaar voor kinderen uit lagere milieus.
Tot die tijd gingen veel arbeiderskinderen na de lagere school naar de huishoudschool of de ambachtsschool. Niet intelligentie, maar afkomst was bepalend voor de schoolkeuze.
Het totale aantal studenten verdrievoudigde vervolgens ten opzichte van de decennia ervoor. De Mammoetwet had, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), tot gevolg dat het aantal meisjes, kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus en leerlingen met een migratieachtergrond in de hogere onderwijsniveaus toenam.
Faalangst
De problemen waar eerstegeneratiestudenten tegenaan lopen, zijn in de afgelopen decennia echter niet veel veranderd: het gevoel er alleen voor te staan, een moeizame band met de ouders en faalangst komen nog steeds voor.
Milio van de Kamp, socioloog en universitair docent, meldt in zijn boek Misschien moet je iets lager mikken over zijn kennismaking met de universiteit het volgende: ‘Het leek alsof iedereen hier uit de hogere middenklasse en elite kwam. Ik, met mijn plat Amsterdamse accent vol straattaal, paste hier overduidelijk niet tussen. Tussen alle Anne-Fleurs, Sterres en Lucassen kwam niemand van de hogeschool, iedereen was doorgestroomd vanuit het vwo of gymnasium. Iedereen leek zich ook op zijn of haar gemak te voelen, alsof studeren aan de universiteit een logisch vervolg van hun leven en de normaalste zaak van de wereld was’.
Van steun aan eerstegeneratiestudenten, zoals onderwijsinstellingen als NHL Stenden en de Vrije Universiteit Amsterdam die tegenwoordig bieden, was toen nog geen sprake.
Breken
Om te kunnen slagen in de nieuwe wereld van de middenklasse moest Van de Kamp op veel fronten breken met de mensen in zijn oude wereld, schrijft hij. ‘Onze levens waren te anders, we begrepen elkaar niet meer. Niet echt. Toch betekende het niet dat ik de stap naar de middenklasse had gemaakt.’
‘Op de universiteit was ik de jongen van de straat die zich nooit helemaal kon conformeren aan de normen en de mensen. Thuis bij mijn ouders was ik het hoogopgeleide succesverhaal waar niemand zich meer aan kon relateren. Het was alsof ik vastzat in een schemerzone, tussen twee werelden in.’
Vervreemding
Matthys heeft diezelfde ervaring, vertelt hij in het partijblad van de SP: ‘Als ik thuis kwam, nam ik de rol van zoon aan en op de universiteit die van student. Dat gevoel van vervreemding hoorde ik ook terug bij de mensen die ik geïnterviewd heb. Een van hen gaf bijvoorbeeld aan dat haar moeder haar als dochter niet kon combineren met dat ze arts was. Ze vroeg haar wel eens om medisch advies, maar als ze dat dan gaf, zei haar moeder dat ze niet moest denken dat ze alles beter wist dan zij.’
Schuijt zegt in haar boek haar eigen pad gevolgd te hebben zonder achterom te kijken. ‘Ik was niet bereid om mezelf geweld aan te doen om te passen in het milieu. Alleen wist ik niet hoe dat moest, mezelf recht doen en tegelijkertijd tegemoetkomen aan hun verwachtingen. Het kostte me moeite om mezelf toe te staan om andere normen te hebben’.
Cito-toets
Sommige ouders zijn trots dat hun kind het beter heeft gekregen dan zij. De ouders van Froukje sprongen voor haar in de bres toen meester haar mavo-advies gaf, terwijl de Cito-toets vwo uitwees. ,,Je moet ook zien waar zo’n kind vandaan komt’’, luidde de toelichting van de leerkracht. Haar ouders zagen het anders. Hun dochter kon naar het vwo, dus gíng ze naar het vwo.
Maar er zijn ook ouders die het vertrek van hun kind beleven als afwijzing van dat wat zij voor juist en goed houden, schrijft Schuijt: ‘voorzichtigheid, conservatisme en berusting in je lot’.
Ridiculiseren
Het komt ook voor dat vaders en moeders afstand nemen van hun transklasse-kind door zijn nieuwe leven af te keuren of te ridiculiseren. ,,Je moet maar niet denken dat je nu wat bent’’, kreeg Sietske na haar afstuderen te horen. Wesley hoopt zijn kinderen later meer te kunnen bieden dan zijn ouders hem. ,,Hij denkt dat hij beter is dan wij’’, sneerde zijn moeder.
Ook zijn er ouders die tegen de buitenwereld opscheppen over hun studerende zoon of dochter. Ze delen hun trots wel met anderen, maar kunnen zich nauwelijks uiten naar hun eigen kind, aldus Schuijt.
Verraad
En soms wordt de stap omhoog als verraad ervaren. Hun kind wordt een van die hoge heren die mensen zoals zij commanderen en die zonder hard te werken aanzienlijk meer in het loonzakje krijgen. De uit de arbeidersklasse afkomstige Franse schrijver Edouard Louis sprak zich er als volgt over uit: ‘Ik geloof dat men niet verraadt. Men heeft het recht te zijn wat men wil zijn’.
Tijdens de opleiding keken arbeiderskinderen van hun studiegenoten af hoe ‘het’ hoorde. Thea leerde van haar studiegenoten hoe ze met mes en vork moest eten. Ze ontdekte dat er meer op het menu kon staan dan aardappels, vlees en groente. En hoorde verbaasd aan hoe de vader van een vriendin een toespraak hield ter gelegenheid van de verjaardag van zijn dochter.
Schrijver Eduard Louis beschrijft in Weg met Eddy Belleguele de verfijnde manieren van zijn studiegenoten ( ‘ze geven elkaar een hand’ en ‘ze definiëren mannelijkheid niet zoals mijn vader, zoals de mannen in de fabriek’). Hij constateerde dat je niet alles zomaar kon vragen (‘het was onbeleefd een echtpaar te vragen waarom ze geen kinderen hebben’) en leerde dat hij zijn tanden moest poetsen.
Zachtjes
Louis’ landgenote, de schrijfster en Nobelprijswinnaar Annie Ernaux, van wie de ouders vanuit het ene naar het andere vertrek schreeuwden, wist dat ze voortaan haar stem zachtjes moest gebruiken.
Schuijt leerde om, ongeacht haar gevoelens, rationeel en beheerst te blijven. ,,Thuis werd mij nooit gevraagd naar mijn mening en een discussie bestond uit het zenden van standpunten.’’ Ze concludeerde dat het niet om het juiste antwoord of standpunt ging, maar om zorgvuldig en spitsvondig formuleren.
Ondervertegenwoordigd
Ruim 55 jaar na de invoering van de Mammoetwet zijn kinderen uit huishoudens met een lager inkomen en kinderen met een migratieachtergrond nog altijd ondervertegenwoordigd op de havo en het vwo, al zitten op deze onderwijssoorten inmiddels al jaren meer meisjes dan jongens. Het aandeel meisjes in het derde leerjaar van havo/vwo schommelt sinds 1990/’91 rond 52 procent.
Volgens het economisch vakblad ESB is de kans om naar de havo of het vwo te gaan voor kinderen van lager of niet opgeleide ouders rond de 25 procent. Dit percentage ligt maar net iets hoger dan eind jaren zestig, toen de Mammoetwet werd ingevoerd. Kinderen van hoger opgeleide ouders hebben nog steeds een kans van zo’n 70 procent op havo of vwo.
Matthys vindt dan ook dat de sociale stijging van arbeiderskinderen niet is gelukt. ‘Het aandeel van arbeiderskinderen onder studenten is nooit veranderd’, zei hij tegen de SP. ‘Kinderen uit arme gezinnen krijgen vaak een lager schooladvies. Ze moeten dan een veel langere weg afleggen dan kinderen uit de middenklasse. Velen haken daarbij af.’
Symbolisch geweld
Van de Kamp zegt dat de mindere prestaties van jongeren die in armoede en een kansarme omgeving zijn opgegroeid ten onrechte worden geweten aan het niet hebben van de juiste motivatie, intelligentie of gedrag.
‘Dit narratief laat echter een fundamentele vorm van ongelijkheid buiten beschouwing, die Bourdieu ‘symbolisch geweld’ noemt: een vorm van onderdrukking die in essentie draait om machtsverhoudingen tussen de dominante en onderdanige groep.’
‘De dominante groep, in dit geval de heersende middenklasse en elite die het onderwijssysteem controleren, legt op impliciete wijze normen op aan mensen zoals ik, die afkomstig zijn uit de onderdanige groep. Het wordt als normaal gezien dat iemand met mijn achtergrond niet kan slagen in het onderwijs. Het is een gevoel van minderwaardigheid veroorzaakt door de middenklasse en de elite’.
Lage verwachtingen van leraren die onterecht zijn, kunnen zorgen voor ongelijke kansen, schrijven Linda van den Bergh, Eddie Denessen en Monique Volman in Werk maken van gelijke kansen. ,,Dat heeft te maken met een selffulfilling prophecy, een voorspelling die zichzelf waarmaakt: als jij denkt dat een leerling iets niet (goed) kan, zal die leerling zijn best niet doen.’’
Geen sociaal netwerk
Sociale stijgers missen de juiste sociale en culturele codes. Ze hebben ook geen sociaal netwerk dat ze verder kan helpen. Dus wat moeten ze doen? Ze moeten het zelf maken, zegt Matthys. ‘Daarvoor hebben ze ‘egosterkte’ nodig, een begrip uit de psychologie. Egosterkte houdt in dat je al bij je geboorte een soort innerlijke kracht bezit, die je daarna verder ontwikkelt. Je bouwt een eigen identiteit op en je bent in staat om door ervaringen sterker te worden. Dat noem ik identiteitskapitaal. Dit heb je als sociale stijger nodig om het gebrek aan sociaal en cultureel kapitaal te compenseren.’
Een begripvolle baas, docenten of managers kunnen bij de start van de loopbaan uitkomst bieden. Dat geldt ook voor aansprekende voorgangers, jongeren uit een arbeidersmilieu die zijn opgeklommen. Dit kan bijvoorbeeld een dorpsgenoot zijn die huisarts is geworden. ‘Rolmodellen geven geen adviezen’, vermelden Thijssen, Matthys en Leisink. ‘Maar het feit dat ze het gered hebben, biedt vaak wel veel morele steun en afgeleid zelfvertrouwen’.
Spagaat
Maar de spagaat blijft. Daarover zijn verschillende ervaringsdeskundigen het eens.
De Franse schrijver Didier Eribon zegt in zijn boek Terug naar Reims: ‘Dus als je terugkeert naar het milieu waar je vandaan komt - en dat je achter je liet, letterlijk en figuurlijk - keer je als het ware terug naar jezelf en kom je tot inkeer. Het is een weerzien met zowel de behouden als ontkende versie van jezelf.’
Bourdieu uit zich er als volgt over: ‘Datgene waarvan je bent losgeraakt of waarvan je je wilde losrukken, blijft een wezenlijk onderdeel van wie of wat je bent’.
Van de Kamp: ‘Klasse laat je nooit los. Het ligt verankerd in je lichaam, alsof het onderdeel van je dna is. Klasse vormt wie je bent’.
Doetie, Froukje, Sietske, Wesley en Thea heten in werkelijkheid anders.
Reageren? Mail naar: wietske.koen@mediahuisnoord.nl
Sociale stijgers
Dit artikel is het eerste in een reeks over sociale stijgers, ook wel transklassers genoemd. Dit zijn mensen die door hun opleiding of werk in een hogere klasse terecht zijn gekomen. ‘Het zijn begaafde doorzetters die door intelligentie, discipline en inzet, zonder veel inhoudelijke steun vanuit hun ouders en zonder kostbare bijlessen, voor hun examens zijn geslaagd’, aldus hoogleraren Jo Thijssen en Peter Leisink en universitair hoofddocent Mick Matthys. Het leven in twee klassen betekent voor velen een permanente spagaat.
Volgende week deel 2: Dubbelinterview met SP-wethouder Eelco Eikenaar en zijn vader Tony.