Charlie Jansen (l) en Roby Lalkens (r) openden dit jaar hun tuinderij in Loppersum. Foto: Anjo de Haan
De dagen van Roby Lalkens (30) en Charlie Jansen (31) verlopen volgens een vast stramien. Vroeg van bed, werk, lunch, werk, avondeten. „En daarna gaan we hobbyen, zoals we het noemen”, zegt Lalkens. Wat is hobbyen? Jansen grinnikt. „Tsja, eigenlijk nog meer werken.”
Dit voorjaar begonnen Lalkens en Jansen een duurzame tuinderij op het terrein van biologische boerderij Eikemaheert. In de weilanden tussen Loppersum en Stedum pachten ze een stuk grond van Piet Glas en Angela Rijnen. Daar verbouwen de dertigers verse groenten, die ze vervolgens in abonnementsvorm verkopen aan een zestigtal huishoudens uit de omgeving.
Op het erf van Eikemaheert vertellen ze, aan een tafeltje in de schaduw, over de veranderingen die ze de afgelopen jaren doormaakten: van Amsterdam naar Loppersum, van de cultuursector naar de landbouw en van denken naar doen.
Een en al blubber
Lalkens en Jansen studeerden, werkten en woonden jarenlang in Amsterdam, in de kunst- en cultuursector. Ze waren veel bezig met ecologie, vertellen ze. „Maar we misten een praktische toepassing”, zegt Jansen. „Het zelf leven, in plaats van er alleen maar over praten.”
Lalkens knikt. „Hoeveel mensen heb je nodig die ergens theoretisch over nadenken voordat iemand zegt: ik pak een schep?”
Ze besloten een opleiding te volgen aan de biodynamische landbouwschool Warmonderhof in Flevoland. In april 2023 verhuisden ze naar Eikemaheert, op uitnodiging van eigenaren Glas en Rijnen. „Het is heel hartelijk en bijzonder van ze dat ze ons deze ruimte bieden.”
Het oogsten begint, zeker op warme dagen, al vroeg op de ochtend. Foto: Anjo de Haan
Hun grond strekt „van het spoor tot de schuur”, wijst Lalkens. Achter de tafel strekken rijen gewassen zich uit. Insecten zoemen, twee kleine windmolens draaien geluidloos.
De leercurve is steil, zegt Jansen terwijl een stoptrein passeert. „Als je ons deze lente had gesproken, hadden we hier minder goedgehumeurd gezeten.” Het natte voorjaar zorgde voor een zware start, de grond was „een en al blubber”. Lalkens en Jansen leerden telen op zandgrond, vertellen ze. Lalkens: „Klei, waar we hier op werken, is heel anders.”
Op de wachtlijst
Iedereen adviseerde ze geduld te hebben, herinnert Jansen zich. „Maar we wilden zó graag. Gelukkig ging het steeds beter.”
Ze begonnen met veertig geabonneerde huishoudens, groeiden dit jaar door naar zestig en willen volgend jaar naar de tachtig tot honderd wekelijkse groentepakketten. Er staan al mensen op de wachtlijst.
Lalkens en Jansen doen aan rotatieteelt: elke groentesoort wordt jaarlijks op een andere plek geplant. Foto: Anjo de Haan
Wat een pakket kost, dat wisselt wat. Grotere huishoudens kunnen een groter pakket afnemen, en Lalkens en Jansen kiezen voor een ‘solidair’ betaalsysteem: boven de minimale bijdrage bepalen abonnees zelf hoeveel ze wekelijks betalen. Het idee is dat mensen een prijs betalen die past bij hun eigen inkomen.
Nu werken Lalkens en Jansen nog „voor nop”. Er is veel geld gaan zitten in het opbouwen van de tuinderij en de aanschaf van de nodige machines. Ze financierden het met een paar subsidies, spaargeld en een lening van hun ouders. Over vijf jaar verwachten ze hun investering terugverdiend te hebben. „Maar het geld blijft een middel. In het groen staan helpt ons om onze visie te realiseren.”
Genderrollen
Per ongeluk zijn ze in ietwat traditionele genderrollen vervallen bij het dagelijkse werk, reflecteren de jonge tuinders lachend. Jansen: „Roby is van de machines en is veel bezig met de infrastructuur. Ik doe veel van het zaaien: wat de grond in moet, en wanneer.”
Lalkens steekt een vinger op. „Maar je maait wel! Dat is traditioneel toch een mannenklus.” Daar zit wat in, zegt Jansen. „Maar ja, dat vind ik ook leuk omdat het een manier is om de boel netjes te houden.”
Lalkens en Jansen doen aan rotatieteelt. Ze wijzen naar de rijen met gewassen. „Het idee is dat elk van die gewassen jaarlijks een plekje opschuift.” Dat helpt tegen verarming van de bodem, want elk gewas trekt andere voedingsstoffen uit de aarde. „Het geeft de grond de kans om zich weer te herstellen”, zegt Jansen.
Abonnees van de tuinderij bepalen, vanaf een minimumbedrag, zelf hoeveel ze willen en kunnen betalen. Foto: Anjo de Haan
Die kijk op hun werk spreekt ze wel aan: niet maximale efficiëntie als prioriteit, maar een duurzame aanpak. Voor zichzelf, het voedsel en het land. „We planten ook veel dingen die niet economisch interessant zijn”, zegt Lalkens. „Bloemen zoals tagetes bijvoorbeeld.” Voor de groentepakketten zijn die niet zo nuttig, maar ze trekken wel sluipwespen aan, legt hij uit. „Als we het leven voor de kleintjes onmogelijk maken, gaat het voor de groten ook snel fout. Zo denk ik erover.”
Eigen gewin is niet het hoofddoel, benadrukken de jonge tuinders. Met een glimlach wijst Jansen naar een gewas dat bij haar voeten uit de grond komt. „Wij staan in dienst van de prei.”
Verslaggevers van Dagblad van het Noorden maken deze zomer verhalen over gezonde voeding en lokale producten uit Groningen. Wat is gezond voedsel en waar kun je daarvoor in Groningen terecht? Wat zijn de fabels? Hoe verandert onze manier van eten? Je leest het in de DVHN Voedselserie.