Joodse kampgevangenen bewaakten na de oorlog NSB'ers in Kamp Westerbork. Documentaire Oorlog in Westerbork vertelt over mishandeling, dwangarbeid en doodslag in het kamp na de bevrijding
Een tekening die de Joodse kampgevangene Hans Margules maakte van de aankomst van de geallieerden die op 12 april 1945 het kamp bevrijden. Hij was onder meer belast met het afgrendelen van de veewagons waarmee de kampgevangenen naar de concentratiekampen werden afgevoerd. Hij was tekenaar en ontwerper van decors van de revues die in Westerbork in de grote zaal werden opgevoerd. Bron: Archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Joodse kampgevangenen bewaakten na de bevrijding in de lente van 1945 duizenden NSB’ers en van verraad verdachte Nederlanders die na de oorlog naar Kamp Westerbork waren gebracht. Journalist Frénk van der Linden vertelt in zijn documentaire Oorlog in Westerbork wat er gebeurde toen Joodse gevangenen oog in oog kwamen te staan met de verraders die hun familie naar de vernietigingskampen stuurden.
Een specht ramt zijn snavel ritmisch tegen een boom, het geluid trilt door het bos op het terrein van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Een bus stopt, de deuren schuiven open en kinderen werpen zich naar buiten, terwijl een leraar wanhopige pogingen doet orde te houden. De leerlingen luisteren niet, hun gejoel overstemt het gedril van de specht en verjaagt de stilte. Door hetzelfde bos dwaalden 77 jaar geleden schimmen, bewaakt door een Joods jongetje met een knuppel dat niet veel ouder was dan de kinderen die elkaar nu filmpjes op hun smartphone laten zien waarom ze heel hard moeten lachen.
Documentaire Oorlog in Westerbork
De documentaire Oorlog in Westerbork is gemaakt door Frénk van der Linden, Ronald Pras en Eric Blom en verschijnt maandag 28 maart op NPO 2 om 20.25 uur bij KRO-NCRV.
Ed van Thijn bewaakt als 10-jarig jongetje in zijn eentje NSB’ers
De jongen die eigenlijk geen idee heeft wat hij met die knuppel zou moeten beginnen, is Ed van Thijn (1934 – 2021), die later minister van Binnenlandse Zaken en burgemeester van Amsterdam zou worden. Na achttien onderduikadressen belandt hij in januari 1945 in zijn eentje – zijn ouders zitten nog ondergedoken – in Westerbork. Hij is vlak na de oorlog een van de Joodse kampgevangenen die vanwege een groot tekort aan bewakers opdracht krijgen de nieuwe gevangenen in de gaten te houden die vanaf eind april in 1945 met duizenden tegelijk het kamp binnenstromen. Maar deze gevangenen dragen geen Davidster op hun kleren. Het zijn NSB’ers en andere Nederlanders die van collaboratie met de Duitse bezetters worden verdacht.
De omstandigheden in het kamp zijn erbarmelijk. ,,Ik herinner me dat ik met die mannen het bos in moest’’, vertelt Van Thijn in een nooit uitgezonden interview. ,,Ze moesten hout sprokkelen. Ik kreeg een stok om ze te bewaken, ik een klein jongetje. Ik herinner me die mannen als schimmen. Zo uitgeteerd, zo uitgehongerd. Ze bewogen zich ook voort als schimmen.’’
Ed van Thijn tijdens de onthulling van het Holocaust Namenmonument in Amsterdam in september 2021. Op deze plek zijn de namen, geboortedata en leeftijden bij overlijden te vinden van ruim 102.000 Nederlandse slachtoffers van de Holocaust, zowel Joden als Sinti en Roma. Foto: ANP/Robin Utrecht
Het bijna vergeten interview is een van de schatten die journalist en documentairemaker Frénk van der Linden en regisseur Eric Blom ontdekten en in de documentaire Oorlog in Westerbork verwerkten. ,,Het begon allemaal met Ronald Pras, een cameraman uit Groningen. Hij vertelde me over Ans Backx, een dochter van NSB-ouders die bij de Jeugdstorm had gezeten en na de oorlog in Westerbork terechtkwam. Ik had er geen idee van dat in Westerbork NSB’ers gevangen hadden gezeten en wat ik al helemaal niet wist, is dat ze in de eerste maand door Joden werden bewaakt.’’
Ed van Thijn in Westerbork
‘Deze zomer heb ik het opgebracht om Westerbork te bezoeken, voor het eerst. Ze hadden dat ongelooflijk mooie monument gemaakt. Het spoorlijntje, die rails. Ik ben er geweest met mijn kinderen. Ik heb hen zo vaak proberen uit te leggen... Toch was het een grote teleurstelling voor ze, zo van: is dat nou alles... De oudste begon te balanceren op de rails. Mijn eerste reactie was ontgoocheling. De tweede: opluchting. Mijn oudste dochter, precies op de leeftijd die ik had, toen ik daar liep ... en zij speelden nu een spelletje. Dat is toch fantastisch, verdomme.
Ik dacht: wat een krankzinnigheid om te proberen haar al die ellende aan te praten.’
Westerbork. Ik realiseer mij, dat ik u nog altijd niet mijn verhaal heb verteld. En daarvoor zijn we hier. Eindelijk. Daar gaat-ie dan. Ik heb achttien verschillende onderduikadressen gehad, maar het verhaal begint en eindigt in Westerbork. Ik zal het in telegramstijl vertellen. In maart ’43 werd ik met mijn moeder van huis gehaald en naar Westerbork gebracht. Daar heb ik enkele maanden doorgebracht, voornamelijk in de ziekenbarak. Dank zij mijn vader, die eerder met een aantal mannen uit de trein was gesprongen (hij had een treinsleutel), wisten wij in de nacht dat onze naam was afgeroepen terug te komen naar Amsterdam. Daar volgde onmiddellijk opname in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht, afdeling besmettelijke ziekten (dat boezemde schrik in). Na een week volgde een nieuwe razzia. Het ziekenhuis werd leeggehaald.
Mijn vader heeft ons dwars door de razzia heen met een gestolen ambulance uit het ziekenhuis geplukt en mij, een aantal straathoeken verder, midden in de nacht overhandigd aan een wildvreemde vrouw, die, zoals later bleek, van de NY-organisatie was. Die bracht mij met de eerste trein naar Brunssum. Een onderduik langs achttien adressen, eerst in Limburg, daarna in Overijssel, volgde. Sommige adressen waren goed voor drie dagen. Andere voor twee maanden. Alle adressen waren totaal verschillend. Bijna alle families waren diep-religieus, maar de een was rooms-katholiek, de volgende weer zwaar gereformeerd. Overal moest ik mij - als vanzelfsprekend - onmiddellijk aanpassen en meedoen in de gebruikelijk rituelen, van de ene dag op de andere, hetgeen mij niet veel moeite kostte.
(…) Op mijn achttiende adres werd ik gepakt. Dat was op een boerderij in Oudleusen, november 1944. Het overvalcommando moest twee keer komen. De eerste keer hebben ze uren gezocht maar niets gevonden. De tweede keer liepen ze regelrecht naar de kast waar ik verborgen zat.
Een duidelijk voorbeeld van verraad. Ik heb toen twee maanden doorgebracht in het Huis van Bewaring in Zwolle, met z’n vieren in een cel. In januari ’45 werd ik overgebracht naar Westerbork, al die tijd de nachtmerrie die ik zo goed kende. Maar alles was anders. De tienduizenden van toen waren er niet meer. Met de paar honderd die er nog wel waren werd ik in april door de Canadezen bevrijd.
Dit was dan het verhaal. Ik mocht van geluk spreken.’
Welkomstwoord op de conferentie ‘Het ondergedoken kind’ uitgesproken door de voorzitter van het Comité van aanbeveling en burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn, op 23 augustus 1992.
120.000 Nederlanders worden na de oorlog gearresteerd
Landelijk worden vlak na de oorlog meer dan 120.000 mensen gearresteerd, rond de 8000 komen in Kamp Westerbork terecht. Daar zitten dan nog 900 Joodse gevangenen. Westerbork wordt in 1939 voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland gebouwd. Het kamp is aanvankelijk op de Veluwe in de gemeente Ermelo gepland, maar koningin Wilhelmina laat de regering weten dat ze liever geen vluchtelingenkamp nabij paleis Het Loo, haar zomerverblijf, wenst. De koningin, die een jaar later na de inval van de Duitsers zelf op de vlucht slaat, krijgt haar zin en het kamp – gefinancierd door het Centraal Comité Joodsche Vluchtelingen - komt bij Hooghalen in de toenmalige gemeente Westerbork. De vluchtelingen moeten bij de bouw van het kamp zelf de handen uit de mouwen steken.
De Duitse bezetter ontfermt zich in 1942 over het kamp en verandert het in een doorgangskamp naar de vernietigingskampen in Duitsland, Polen en Tsjechië. 107.000 Joden en 247 Roma en Sinti vertrekken in de treinen. Slechts 5000 keren terug. Op 13 september 1944 verlaat de laatste trein het kamp, tien dagen nadat Anne Frank op transport naar Auschwitz wordt gezet. Vanwege de oprukkende geallieerden zijn meer transporten niet mogelijk. Virry de Vries Robles (1932 – 2022) vertelt in Oorlog in Westerbork hoe ze voor hun vertrek alle dieren afmaken, zodat de achterblijvende kampgevangenen er niks aan hebben. Ze zou met haar moeder en broertje, die in Westerbork is geboren, met die laatste trein naar Bergen-Belsen worden gebracht. Een halfuur voor vertrek worden ze eruit gehaald.
De commandantwoning in Herinneringscentrum kamp Westerbork.
Foto: Sake Elzinga
Moeder vraagt aan SD of ze naar haar man in Westerbork mag
De Canadezen bereiken het kamp op 12 april 1945. Negenhonderd Joodse gevangenen – mannen, vrouwen en kinderen – werpen zich met een razende vreugde op hun bevrijders. Ed van Thijn herinnert zich hoe ze witte anjers, de favoriete bloem van kampcommandant Gemmeker, op de groene voertuigen gooien. Een van de gevangenen, een speelvriendje van Van Thijn, is Fred Mouw (84). Hij is sinds de kerst van 1944 met zijn ouders in het kamp.
,,We kwamen uit Arnhem. Mijn vader was een Jood, mijn moeder niet. Toen bijna alle Joden al waren opgepakt of ondergedoken, liep mijn vader nog gewoon over straat. Vanwege zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw kreeg hij een speciale vergunning. Voorwaarde was wel dat een van hen zich moest laten steriliseren. Nee, ik heb ze nooit gevraagd wie dat was. Dat kon ik niet. Maar dat is wel de reden waarom ik enigst kind ben.”
„De situatie veranderde na de Slag om Arnhem (17 – 26 september 1944). Vijf dagen lang zaten wij in doodsangst in de kelder. Die toestanden zie je nu in Oekraïne. Daarna begon de grote evacuatie uit Arnhem, tienduizenden mensen moesten vertrekken. Ik zag hoe Spitfires de vluchtelingen bestookten, waarschijnlijk dachten ze dat het troepenbewegingen waren. De mensen bleven maar neervallen. Mijn oma van moederskant zat in het verzet. Ze zei tegen mijn vader dat hij zijn Davidster af moest doen. Die speciale vergunning die hij van de Duitsers had gekregen was echt niks meer waard. Ze regelde dat we konden onderduiken.’’
Ze worden verraden en opgepakt. ,,Waarschijnlijk omdat iemand mij in de tuin van ons onderduikadres had zien spelen. Ik kwam in de gevangenis in Zwolle terecht, waar ik zwaar werd mishandeld. Ze wilden weten wie ons te eten en drinken had gegeven. Na een week werden mijn moeder en ik vrijgelaten. Ze had een strookje papier met een boodschap van mijn vader gekregen. Er stond: ‘Lieveling, ik ga naar Westerbork. Pas goed op jezelf en op onze zoon. Liefs Ben’.”
Ze vertrekken naar Apeldoorn, Freds moeder wordt wanhopig. En nu dan? ,,Ze stapte naar de Sicherheitsdienst en vroeg of ze naar haar man in Westerbork mocht. We kregen toestemming en in de kerst van 1944 werden we met mijn vader herenigd.’’
Fred Mouw tijdens een bezoek aan Kamp Westerbork in 2021. Foto: ANP/Siese Veenstra.
Het kampleven valt hem niet zwaar. ,,We kregen behoorlijk te eten en ik ging er naar school. Ook kon ik er spelen met andere kinderen, zoals Ed van Thijn. We voetbalden, speelden met een tol en in de nauwe gangen tussen de barakken kon je fantastisch verstoppertje spelen. Mijn moeder werd bij de keuken ingedeeld en mijn vader werkte in een barak waar hij onder meer batterijen uit elkaar moest halen. Maar toch was er altijd de angst voor dé trein die zou komen om je naar het oosten te brengen.’’
Canadezen wantrouwen de Joodse kampgevangenen
Wanneer de Canadezen het kamp naderen en de Duitsers de mitrailleurs van de wachttorens halen om te vluchten, maakt paniek zich langzaam meester van de kampgevangenen. ,,Er waren drie mogelijkheden: ze nemen ons mee op een soort dodenmars, ze schieten ons dood of ze laten ons zitten.’’
De Duitsers kiezen voor het laatste. Op 12 april denderen de Canadezen het kamp binnen waar ze met luid gejuich worden ontvangen. De soldaten delen chocola en sigaretten uit. De gevangenen verkeren in extase. Het is voorbij. Eindelijk, eindelijk zijn ze bevrijd. Maar ze mogen het kamp niet uit.
,,Ze waren in eerste instantie verdachten’’, legt Frénk van der Linden uit. ,,Tegen die mensen werd wenkbrauwenfronsend aangekeken. De redenering van de Canadezen en het Militair Gezag was: hier zitten nog mensen die niet naar Auschwitz en Sobibor zijn afgevoerd. Hoe kan dat? Zijn dit mogelijkerwijs handlangers van de Duitsers?’’
Het is een bittere pil voor de gevangenen. ,,Maar er speelde meer’’, vertelt onderzoeker Bas Kortholt van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. ,,De oorlog was in delen van het land nog aan de gang. Bovendien zaten er in het kamp ook nog Joden uit Duitsland en Oostenrijk die hier soms al sinds het begin van de oorlog waren. Toen de nazi’s het kamp in 1942 overnamen, namen ze de hele organisatie van het vluchtelingenkamp over. Mede om deze organisatie intact te houden, werd besloten dat de Duitse Joden die voor de zomer van 1942 in Westerbork zaten voorlopig werden vrijgesteld van transport. Het gevolg was dat er relatief minder Duitse dan Nederlandse Joden zijn weggevoerd en met name de mensen die een belangrijke rol hadden in de kamporganisatie.’’
Maar ook na de oorlog blijft het kamp volstromen met gevangenen. Mouw: ,,Enkele dagen voor 23 april –de verjaardag van mijn vader – werd het kamp in twee delen gesplitst. Wij hadden geen idee waarom. Duizenden en duizenden mensen kwamen het kamp binnenstrompelen. Ze waren moe, hongerig en haveloos. Een grote narigheid. We ontdekten dat het mensen waren die ons hadden verraden: onze ouders, onze kinderen, onze hele familie. Het nieuws wat er met hen was gebeurd, kwam net binnen. En die mensen zaten nu bij ons! Hoe kun je dat verzinnen?’’
NSB’ers slachtoffer van mishandeling, verkrachting en doodslag
Kortholt: ,,Vlak na de oorlog was het in het land een chaos. Het Militaire Gezag nam tijdelijk het bestuur over.’’ Dat treedt in de bevrijde delen van het land op namens de regering, die nog in Groot-Brittannië zit. ,,In Westerbork kwam een Nederlandse kampcommandant: Jan Buijvoets (1918 – 2000). Er was een groot gebrek aan bewakers in die eerste weken en daarom werden ook Joden als bewaker ingezet. Later kwamen er meer mensen van bijvoorbeeld de Binnenlandse Strijdkrachten bij. Maar ook dit waren geen professionals. En ook zij zaten vol frustratie en trauma’s over wat ze in de oorlog meemaakten.’’
Ook Ben, de vader van Fred Mouw, wordt bewaker. ,,Hij kreeg net als Ed van Thijn een knuppel in de handen gedrukt en moest die mensen bewaken. In die periode, die van 23 april tot eind september duurde, overleden 89 gevangenen onder verdachte omstandigheden.’’
De moeder van kampgevangene Fred Mouw nam deze speldjes af van vrouwelijke NSB'ers die na de oorlog in Kamp Westerbork werden gevangengezet. Bron: Archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Verdachte omstandigheden. In de documentaire spreken oud-kampgevangenen over mishandeling, uitputtende exercities, pesterijen, dwangarbeid, verkrachting en moord. Vrouwen die gescheiden van de mannelijke gevangenen leven, raken op ‘onverklaarbare’ wijze zwanger. Lia Kuiper was leidster bij de Jeugdstorm, de Nederlandse variant van de Hitlerjugend. Ze vertelt hoe ze zich na aankomst in het kamp moest uitkleden en in een barak op de grond moest gaan liggen. Hier werd ze, vertelt ze, door een Joodse kampbewoner verkracht.
Elisabeth Kolijn vertelt hoe een Joodse kampbewoner de nieuwe gevangenen grimmig mededeelt dat ze nog maar vier uur te leven hebben. Hij gaat eerst even lekker eten en daarna worden ze vergast. Vrouwen beginnen te huilen. Kortholt: ,,Deze bewoner werkte op de administratie en zat vol emotie en woede over zijn familie die in het oosten was vermoord.’’
Mouw: ,,Ja, er hebben zich excessen voorgedaan. Vind je het vreemd? De kampgevangenen zagen aan de andere kant van het prikkeldraad hun verraders lopen. Tuurlijk zijn er kortsluitingen geweest. Dat geldt niet voor mijn vader, daar was hij het type niet voor.’’
Dysenterie en ziekte worden als doodsoorzaak opgeschreven. Nooit staat er mishandeling of doodslag. Kortholt: ,,We moeten het hebben van verklaringen. Het was overal in het land chaos en dan is een papierwinkel niet de eerste prioriteit. Zijn er misstanden geweest? Zeker, maar deze mensen die het kamp binnenkwamen, zijn overleden door een cocktail van omstandigheden.’’
,,Ze hadden honger en kregen niks over het lot van hun familie van wie ze na hun arrestatie waren gescheiden te horen. Hun geloof in het nationaalsocialisme was verdwenen. Er was weinig te eten, omdat een deel van het voedsel door bewakers werd ingenomen. Ze aten gras en brandnetels. Ze moesten zwaar lichamelijk werk doen waar ze helemaal niet aan gewend waren. Dan had je ook minder weerstand als je bijvoorbeeld het slachtoffer van mishandeling bent.’’
Kampcommandant Jan Buijvoets, een oud-verzetsstrijder, is in die eerste periode niet bij machte de misstanden een halt toe te roepen. Hij dringt erbij zijn leidinggevenden op aan voor meer mensen te zorgen. Zijn periode in het kamp drukt zwaar op hem, zo blijkt uit Oorlog in Westerbork waarin zijn twee zoons over hun vader vertellen. Over Westerbork sprak hij niet. En zijn zoons vroegen er niet naar, het was ongezegd glashelder dat het onderwerp taboe was.
Kortholt: ,,Het waren niet alleen de Joodse voormalige kampgevangenen die na de oorlog in Westerbork als bewaker dienden. Dat gold - ook in de beginperiode- voor bijvoorbeeld leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, professionele bewakers van de marechaussee en uit de Rijksinrichting in Veenhuizen en de leidinggevenden van het Militair Gezag. Het is wat mij betreft onmogelijk om ‘misstanden’ toe te schrijven aan een bepaalde groep.’’
De situatie in het interneringskamp verbetert wanneer in het bevrijdingsjaar de herfst intreedt. Er komt een bezoekregeling en de gevangenen krijgen post. De laatste bevrijde Joden zijn eind augustus uit het kamp vertrokken. Ook de bewaking wordt gereorganiseerd. Duizenden gevangenen mogen zonder veroordeling weer naar huis.
Groot deel van NSB’ers verschijnt niet voor de rechter
Kortholt: ,,Duizenden mensen waren opgepakt. Een groot deel is uiteindelijk niet voor de rechter verschenen, omdat het vanwege een groot tekort aan mankracht onmogelijk bleek om die 120.000 geïnterneerden in Nederland te berechten. Dat zegt echter niets over de schuldvraag: ze zijn namelijk niet veroordeeld maar ook niet vrijgesproken. In Westerbork zat een heel spectrum aan geïnterneerden: van een in verhouding kleine groep met mensen die als Jodenjager actief hadden meegeholpen aan de Holocaust tot een kleine groep aan wat Buijvoets als ‘onschuldig’ omschrijft, mensen die op beschuldiging van buren ‘onterecht’ - aldus Buijvoets - waren opgepakt. Daar tussenin een grote groep ‘foute’ burgemeesters, landwachters en bijvoorbeeld mensen die ‘slechts’ lid waren geweest van de NSB.’’
Van der Linden snapt dat de documentaire pijnlijk kan zijn. ,,Vooral voor nabestaanden van Joden die zich te buiten gingen aan mishandeling. Ik hoopte dat het mee zou vallen, dat mensen in staat waren geweest boven zichzelf uit te stijgen. Maar ik was me ook bewust van de onredelijkheid van dat verlangen. Echter, alles bij elkaar had het veel erger kunnen zijn. Ik denk dat de meeste Joden zich verhoudingsgewijs bijzonder goed hebben gedragen.’’
Het beeld van een tienjarige Ed van Thijn die slechts gewapend met een stok tien volwassen gevangenen bewaakt die in het bos hout sprokkelen, laat de documentairemaker niet los. ,,Het tekent de slechte situatie waarin deze mensen verkeerden. Hij bleef er altijd mee worstelen dat hij in die rol was gedrukt, dat hij NSB’ers zag die gedwongen werden hun eigen poep op te eten.’’
Odette Taminiau (71) trouwde in 1992 met Ed van Thijn. ,,Ik heb Ed nooit naar de oorlog gevraagd. Wanneer het kwam, dan kwam het. ‘Ik heb levenslang’, zei hij dan. Hij droeg zijn ervaringen altijd met zich mee, daarom klampte hij zich ook vast aan zijn werk.’’
Ze is blij dat hij de oorlog in Oekraïne niet meemaakt. ,,Ik had anders de krant voor hem verstopt en de televisie op zwart gezet. Dat had hij niet meer kunnen trekken. Op 4 mei was hij altijd ontroostbaar. De tranen waren niet te stelpen, hoe ouder hij werd, hoe emotioneler. Dan hield ik hem vast, dat was alles wat ik kon doen. Ik hield hem vast. De volgende dag was het anders, dan kwam de bevrijding.’’
Ze kreeg de documentaire vooraf te zien. ,,Ik moest af en toe stoppen. Het kwam zo binnen.’’
‘Te verdrietig voor woorden is wat er in Westerbork pal na de bevrijding is gebeurd’
Joodse holocaustoverlevenden als daders. Van der Linden is zich ervan bewust dat dit voor betrokkenen pijnlijk is. ,,Ik koester de illusie dat Eric Blom, Ronald Pras en ik het maximale hebben gedaan om de film evenwichtig te maken. Maar dat neemt niet weg dat hij heel pijnlijk zal overkomen op mensen in de Joodse gemeenschap. Dat snap ik maar al te goed. Helaas moeten we onder ogen zien dat mensen die tijdens de oorlog aan de verkeerde kant stonden later als gevangenen in Westerbork op een manier zijn behandeld die zich niet laat verenigen met onze voornemens om na de Tweede Wereldoorlog een democratischer en rechtvaardiger Nederland in Europa te scheppen. Ik verlang ook niet dat mensen uit de Joodse gemeenschap staan te juichen bij deze film. Dat zou idioot zijn. Maar ik wil wel onder woorden brengen, zoals Virry de Vries Robles en Ed van Thijn deden, dat het te verdrietig voor woorden is wat er in Westerbork pal na de bevrijding is gebeurd.’’
Virry de Vries Robles overleed dit jaar. ,,Ik zag waar ze werd begraven en ik geloofde mijn ogen niet. Naast Ed van Thijn!’’ Hij schudt zijn hoofd. ,,Over toeval gesproken.’’
Schoolklassen zwermen uit over het voormalige kampterrein. De zon schijnt royaal en sommige kinderen trekken hun jassen uit. Ze bekijken barak 56, waar Fred Mouw met zijn ouders – net als alle andere gevangenen in het kamp - op de trein wachtte die nooit zou komen. Bij de treinwagon luisteren ze naar het voorlezen van de namen van hen die nooit meer terugkeerden. Ze kijken verwonderd naar de grote radiotelescopen die de hemel afspeuren. Maar niemand kijkt naar het bos. Niemand ziet de schimmen.