Omdat de moeder van mijn kind, tevens mijn verkering, met griep op bed lag, ging ik alleen met Bert naar het consultatiebureau.
Dat is niet gek, heel veel vaders gaan elke dag alleen met hun kind ergens naartoe, en aangezien mijn vriendin net als ik een drukke baan heeft, zit ook ik met de regelmaat van de klok met Bert samen in een café, op de fiets, in de trein of gewoon thuis blokkentorens te bouwen. In dat blokkentorens bouwen is Bert absurd goed (zo goed, het staat zelfs in de krant!) maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik weet dat Bert daar goed in is. En dat ik het niet meer dan normaal vind dat ik dat, als de helft van zijn ouders, weet.
Wat geweeg en gemeet
Bij het consultatiebureau vonden ze dat minder normaal. Bert is 14 maanden en ik dacht dat de afspraak die bij die leeftijd hoort, alleen zou bestaan uit twee prikken en wat geweeg en gemeet. In plaats daarvan werd ik onderworpen aan een kruisverhoor. Fijne motoriek? Blokkentorens! Lopen? Ik trek hem elke dag zijn wandelschoentjes aan, mevrouw. Toen kwam de vraag of hij al dierengeluiden nadeed. Ik schoot in de lach: „Dat heb ik hem nog niet horen doen”, zei ik grinnikend. Dat was een fout, ik had met stalen gezicht moeten antwoorden dat Bert nog geen dieren imiteerde, dat wist ik namelijk gewoon. Maar de verpleegkundige keek mij meewarig aan en vroeg: „En denkt u dat mama dat misschien wel weet?”
Nu wil ik mij niet aanstellen, dit als een lollig incident beschouwen. Maar de neerbuigende toon waarmee de vraag gesteld werd, daar klonk iets groters dan de korzeligheid van deze ene verpleegster in door. In die toon lagen stapels vaders die niet wisten of hun kind dierengeluiden nadeed of blokkentorens bouwde. Stapels vaders die niet wisten wat de kledingmaat van hun zoon was of hoe de opvangjuffen van hun dochter heetten. Stapels vaders die misschien wel heel gezellig met hun kroost konden keten, maar geen flauw benul hadden hoeveel druppels vitamine D bij het avondeten te geven. Al die stapels lagen op mij, al die vaders zorgden ervoor dat deze consultatiebureau-verpleegkundige elke vader als een debiel behandelde. De vader-debiel is immers de norm. En ik wil niet, als het mijn kind aangaat, een debiel zijn.
Hup vaders, laat zien dat wij geen debielen zijn
Hoe die norm dan te veranderen? Hup vaders, laat zien dat wij geen debielen zijn! Dat is moeilijker dan het lijkt, want vaders zijn mensen en het merendeel van de mensen vindt het een veilig idee om in ieder geval voor de bühne aan de gangbare maatschappelijke normen te voldoen, zelfs als het je schaadt. Ben je eigenlijk heel zorgzaam maar wordt er verwacht dat je een vader-debiel bent? Dan blijft het aanlokkelijk om je als vader-debiel te gedragen. Daartegenin gaan vraagt moed, doorzettingsvermogen en zelfkritiek, en ja, dat is soms moeilijk op te brengen. Maar die dingen zijn allemaal nodig om verwachtingen van de maatschappij om te buigen. Verwachtingen die al zoveel moeders aan aanrechten hebben gekluisterd, maar evengoed al zoveel vaders doodongelukkig aan een kantoorbureau.
Bert kon het ondertussen weinig schelen. Die kreeg twee prikken en keek mij aan alsof ik hem afschuwelijk verraden had. Ik wilde zeggen ‘even stoer zijn jongen’ maar dat slikte ik in. In plaats daarvan fluisterde ik ‘de koe doet boe’ in zijn oor.