De luchthavens zijn weer net zo druk als voor de coronapandemie. Foto: ANP/ Evert Elzinga
Op de twee weken durende klimaattop die zondag in Glasgow van start gaat, staat veel op het spel. Uiteindelijk moet de transitie naar een duurzame samenleving niet alleen worden gedragen door de overheid en het bedrijfsleven, maar ook door burgers. Duurzaam leven is makkelijker gezegd dan gedaan.
Vorige week vloog ik van Amsterdam naar Dublin. Een vriendenbezoek dat door corona al anderhalf jaar was uitgesteld. Bij aankomst op Schiphol bleken de rijen voor de bagagecontrole weer als vanouds, zo lang zelfs dat ik mijn vlucht miste dus later op de dag nogmaals kon opdraven. Een ding was duidelijk: Nederlanders hebben het vliegen weer massaal herontdekt.
Foute boel, sprak een stemmetje in mijn hoofd als een echo van groene politici en organisaties die duurzaamheid prediken. We moeten minder vliegen en zeker binnen Europa vaker de trein pakken, luidt het devies. Mee eens. Is ook leuker. Door verstopte luchthavens, eindeloze veiligheidsmaatregelen en propvolle toestellen is de lol van reizen per lucht sowieso al lang verdwenen. Maar naar Ierland, zo had ik mezelf voorgehouden, kun je niet anders dan per vliegtuig.
De afspraken zijn bindend, maar sancties ontbreken
Het verschil tussen theorie en praktijk is hardnekkig als het gaat om duurzaamheid. Dat lees je ook af aan de jaarlijkse klimaatconferenties van de Verenigde Naties in onder meer Kyoto (1997), Parijs (2015), Katowice (2018), Madrid (2019) en vanaf morgen in Glasgow. Veel landen tonen hun goede wil. Er zijn belangrijke klimaatafspraken gemaakt. Zo werd in Parijs vastgesteld dat we de opwarming van de aarde in 2050 tot 1,5 of 2 graden Celsius moeten beperken. Dat betekent niet automatisch dat de doelen worden gehaald. De afspraken zijn bindend, maar sancties ontbreken. Ook hier staan tussen droom en daad wetten in de weg en praktische bezwaren.
Iets soortgelijks gebeurt in het hoofd van burgers. Uit tal van onderzoeken blijkt dat veel mensen het beste voor hebben met het milieu. Maar als puntje bij paaltje komt, handelen ze daar niet altijd naar. Daar zijn legio voorbeelden van. Zo blijkt uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit dat de meeste consumenten niet bereid zijn meer te betalen voor duurzame landbouwproducten als er goedkope alternatieven zijn. Dit zet een rem op de verduurzaming van de landbouw.
Jan Willem Bolderdijk, universitair hoofddocent marketing aan de Rijksuniversiteit Groningen, is gespecialiseerd in gedragsverandering. Hij heeft veel onderzoek verricht naar de tegenspraak tussen intentie en gedrag. Wat zijn de barrières die mensen ervan weerhouden om te doen wat ze willen? Dat zijn er volgens hem een heleboel. ,,Intenties worden gevormd door bewust na te denken. Maar de meeste keuzes die we maken zijn het gevolg van onbewust handelen. We doen dingen zonder erbij stil te staan. Als we de auto pakken is dat bijna altijd uit gewoonte.’’
Daarom komt er van duurzame intenties niet altijd wat terecht. Bolderdijk: ,,Niet zozeer omdat mensen het niet willen, maar omdat hun gedrag verankerd ligt in gewoontes. Verder spelen ook andere beperkingen een rol. Wie weinig geld heeft, kan zich geen elektrische auto veroorloven.’’
Gedragsverandering op gang brengen is heel moeilijk
Bovendien is ons gedrag ingebed in sociale praktijken, zegt Carina Wiekens, lector duurzaam gedrag aan de Hanzehogeschool Groningen. Optimisten hadden verwacht dat we na corona minder vaak met de auto naar het werk zouden gaan. Inmiddels zijn de files in de spits weer even lang als voorheen. ,,Veel ouders moeten hun kinderen om half negen naar school brengen en om negen uur op hun werk zijn. Als die aanvangstijden hetzelfde blijven, zal hun mobiele gedrag ook niet veranderen.’’
Wiekens heeft vaak onderzoek gedaan in opdracht van woningcorporaties die verandering willen bewerkstelligen onder hun bewoners, zodat ze meer open staan voor een duurzame renovatie van hun huis. ,,Gedragsverandering op gang brengen is heel moeilijk. Als het over duurzaamheid gaat is het enige wat je kunt doen mensen leren nadenken over de staat waarin de samenleving verkeert en wat ze zelf kunnen bijdragen om die te verbeteren. Dat besef kan een trigger zijn om hun gedrag te veranderen.’’
Bij het stimuleren van veranderingen richt Wiekens zich nooit op individuen, maar altijd op groepen. Dat gaat makkelijker. ,,De meeste mensen laten zich leiden door soortgenoten, zoals buren, collega’s, vrienden en familie. Als je één radertje in het raderwerk de andere kant op laat draaien, dan gaat het kapot. Je moet proberen zoveel mogelijk radertjes in dezelfde richting te krijgen. Dat versterkt de veranderingsgezindheid.’’
Mineraalwater belast het milieu zwaarder door de kunststofflessen dan kraanwater. Foto: Shutterstock
De invloed van sociale normen op onbewust gedrag
Het onderzoek van Bolderdijk draait vooral om de invloed van sociale normen op onbewust gedrag. Het blijkt dat die over de tijd allerminst vastliggen. ,,Denk aan recyclen. Daar hing lang een sfeer van geitenwollen sokken omheen. Nu is dat gemeengoed. Ook wordt breed gedragen dat we glas en batterijen apart moeten inzamelen. Dat doen we niet omdat we er geld voor krijgen of omdat het wettelijk verplicht is. We hebben een nieuwe norm geïnternaliseerd.’’
Zo moet het volgens de wetenschapper ook gaan bij andere vormen van duurzaam gedrag. We moeten het langzaam aanleren en verinnerlijken. Hij ziet het met de consumptie van vlees. Nog niet zo lang geleden hadden alleen vegetariërs en veganisten dat niet op het menu staan. Inmiddels komen er steeds meer flexitariërs die nog maar af en toe vlees op tafel zetten. ,,Veel mensen denken: als ik het klimaat serieus neem, kan ik het niet maken om zeven keer per week biefstuk te eten.’’
Toch is de totale voedselconsumptie nog steeds verre van duurzaam. Producten komen het hele jaar uit alle delen van de wereld deze kant op. Van Egyptische sperziebonen tot peultjes uit Zimbabwe. Omgekeerd gaan vlees, zuivel, eieren, tomaten, komkommers en paprika’s die hier worden geproduceerd met gebruik van kunstmest en oplevering van een mestoverschot de hele aardbol over. ,,Onze voetafdruk op het gebied van voedselconsumptie en -productie is vele malen groter dan je op grond van onze bevolkingsomvang mag verwachten’’, zegt Lybrich Kramer, voedingsdocent aan de Hanzehogeschool Groningen.
Vroeger waren de meeste producten alleen in het seizoen of geconserveerd te verkrijgen, tegenwoordig liggen ijsbergsla en peren, bloemkool en witlof het hele jaar door vers in de schappen, naast paksoi, okra, banaan en granaatappels. Dat kun je volgens Kramer niet van de ene op de andere dag veranderen.
Wel pleit ze ervoor dat er meer aandacht komt voor lokale producten die regionaal worden verkocht. ,,Een begin zou zijn dat producten worden voorzien van echte prijzen, waarbij ook de CO2-uitstoot van transport en andere vormen van vervuiling zijn doorberekend. Producten als koffie en suiker zijn nu veel te goedkoop. Als mensen daarvoor een eerlijke prijs betalen, die het boeren in Colombia ook nog eens mogelijk maakt duurzame producten te telen, dan vermindert dat de verspilling en loont het meer om lokaal te produceren en te consumeren.’’
Martien Visser, lector energietransitie aan de Hanzehogeschool Groningen, beaamt dat er op voedingsgebied nog veel moet gebeuren. Er is een voedingsbewuste minderheid, maar de rest ‘eet vooral wat-ie lekker vindt’. Hoeveel emissie bij het verbouwen van landbouwproducten of het houden van vee vrijkomt, daarover denkt de doorsnee consument niet na als hij achter zijn boodschappenkarretje door de supermarkt loopt. Bijna niemand beseft volgens Visser dat het verbouwen van rijst door het vrijkomen van methaangas veel minder duurzaam is dan dat van aardappelen. Evenmin dat rundvlees minder duurzaam is dan varkensvlees en dat mineraalwater door de kunststofflessen het milieu veel zwaarder belast dan kraanwater.
Kledingindustrie is na de energiesector het meest vervuilend
Verspilling zit niet alleen in de voedselketen. Ook de productie en het gebruik van kleding is allesbehalve duurzaam. Volgens onderzoek is de hele keten van de kledingindustrie na de energiesector zelfs het meest vervuilend. Met de komst van spotgoedkope ketens als Primark kopen consumenten zich suf aan kleding. De prijzen kunnen alleen zo laag zijn dankzij de karige verdiensten van textielarbeiders in Azië. Terwijl wij zwemmen in de kleding, kunnen zij het hoofd amper boven water houden.
Er zijn de laatste paar jaar meerdere initiatieven genomen, ook vanuit de industrie zelf, om de productie te verduurzamen. Ook kledingmerken zijn gebaat bij een duurzaam imago. Verder is er een opbloeiende markt voor hergebruik van kleding. Ook in het Noorden zijn de laatste paar jaar veel vintage winkels in het straatbeeld verschenen met gedragen merkkleding. Tweedehands kleding is opeens mainstream geworden.
Visser wijst erop dat het grootste deel van energiebesparing niet zit in het verbruik, maar in de aanschaf van producten. ,,Slechts 25 procent van de energie gebruiken we direct in het gas waarmee we onze huizen verwarmen of de benzine die we in onze auto’s stoppen. 75 procent van de energie gaat zitten in de producten die we kopen of laten bouwen.’’
Daarom moeten we zoveel mogelijk overschakelen op een circulaire economie. Daarin past dat we producten delen en hergebruiken. Dat laatste gebeurt al op grote schaal op sites als Marktplaats, Catawiki en Vinted. ,,Vroeger deelde je spullen binnen de familie, nu met buitenstaanders via digitale platformen.’’
De aanleg van zonnepanelen. ANP/ Remko de Waal
De woningvoorraad is te divers om snel aan te pakken
Voor sommige sectoren zijn op internationaal niveau, in Europees verband of door de Nederlandse overheid ‘harde’ duurzaamheidsdoelstellingen vastgelegd. Zo moet volgens het in 2019 onder Ed Nijpels (VVD) gesloten Klimaatakkoord met onder meer werkgevers en vakbonden een op de vijf Nederlandse huizen en gebouwen in 2030 van het gas af zijn. Gaan we dat halen?
Visser denkt van niet. Van de wijkgerichte aanpak, die door de overheid is bedacht op voorspraak van de Klimaattafels, is in zijn ogen weinig terechtgekomen. ,,Zelfs binnen wijken met uniforme huizen bestaan grote verschillen, zowel tussen de isolatiegraad als tussen de bewoners. De woningvoorraad is te divers om snel aan te pakken.’’
Eigenaren van koophuizen zijn volgens hem redelijk voortvarend bezig met isoleren. Ze worden gestimuleerd door de positieve verhalen die daarover de ronde doen en de subsidie die de overheid beschikbaar stelt. Ook dit jaar kunnen eigenaar-bewoners financiële tegemoetkoming ontvangen als ze minstens twee energiebesparende maatregelen nemen die uitkomen boven een drempelwaarde. ,,De mogelijkheden zijn er wel, maar niet voor iedereen bereikbaar’’, zegt Visser.
Problematisch is ook dat er een tekort is aan vakkundig personeel. Isoleren is nogal arbeidsintensief. Aannemersbedrijven en andere specialisten hebben het loeidruk. Visser: ,,Zelfs als het volgende kabinet meer geld beschikbaar stelt, is er onvoldoende mankracht om al het werk uit te voeren.’’
We vinden het heel normaal om gebruikte batterijen apart in te zamelen. Foto: Gerard Julien
Toenemende tweedeling in de samenleving
Bij de aanleg van zonnepanelen op daken is er een andere kink in de kabel: op veel plaatsen, vooral in het Noorden, kan het bestaande elektriciteitsnet de toevoer van energie niet meer aan. Het kost jaren om de capaciteit op te voeren.
Toch wil Visser huizenbezitters die voldoende geld achter de hand hebben, niet ontmoedigen te investeren in duurzaamheid. ,,Dat levert in elk geval meer rendement op dan het op de bank laten staan. Mensen die slim zijn, doen dat ook. Niet toevallig zijn dat meestal mensen met een hogere opleiding die bovenmodaal verdienen.’’
Hij voorziet een toenemende tweedeling in de samenleving. Dat komt ook naar voren uit het recent verschenen TNO-rapport over energiearmoede. Daarin staat dat 48 procent van de Nederlanders niet bij machte is om hun huis te isoleren. Dat zijn overwegend huurders van sociale en vrijesectorwoningen, armlastige eigenaar-bewoners en 75-plussers. Visser: ,,Die tweedeling wordt versterkt door het liberale marktbeleid waarin duurzame vernieuwingen als elektrisch rijden en woningisolatie worden gesubsidieerd, terwijl het oude extra wordt belast. Het arme deel van de bevolking wordt zo extra financieel getroffen.’’
Nog een ambitieuze doelstelling: in 2030 moeten alle nieuw verkochte auto’s emissieloos zijn. Is dat haalbaar? Visser becijfert dat van alle Nederlandse personenauto’s op de weg inmiddels 2 procent elektrisch wordt voortgedreven. Dat lijkt weinig, maar daarmee liggen we wel op schema. De doelstelling van de overheid is dat de helft van de nieuw verkochte wagens in 2025 elektrisch of hybride is. ,,Dat gaan we redden, mede dankzij dwingende EU-regelgeving. Aan het eind van het decennium stappen veel automobilisten over omdat elektrisch rijden goedkoper wordt dan rijden op fossiele brandstoffen.’’
Wat onverlet laat dat er in 2030 nog miljoenen stinkende auto’s op benzine en wellicht diesel rondtuffen. Heel veel mensen kopen tweedehandsauto’s die minstens tien jaar oud zijn. Menig model heeft een levensduur van wel twintig jaar, soms nog langer. ,,Gelukkig komt tegen die tijd ook de tweedehands markt voor elektrische auto’s op stoom’’, verwacht Visser.
Medebepalend voor de transitie naar elektrisch rijden acht hij ook de ontwikkeling van publieke laadpalen. Mensen die nu al elektrisch rijden zijn vaak koopkrachtig en hebben een laadpaal op de oprit. Wil de massa oversteken dan zijn er volgens berekening van de Nationale Agenda Laadstructuur in 2030 – als er naar schatting 1,9 miljoen elektrische auto’s rondrijden – 1,7 miljoenen laadpalen nodig. In Groningen zijn er nu ongeveer 1500 en in Drenthe 1100 publieke laadpalen. In Friesland zijn er nog minder. De doelstelling is 700 publieke laadpalen in 2023. In 2030 moeten er in de provincie 70.000 laadpunten zijn. Er is dus nog een lange weg te gaan.
Ondertussen zijn er ook tal van initiatieven op het gebied van elektrische deelauto’s. Waren die voorheen vooral in grotere plaatsen beschikbaar, nu duiken ze ook op in dorpen. Bij het project Deelslee in Noord-Groningen kunnen bewoners tegen relatief lage prijzen een elektrische wagen huren. Een uitkomst voor mensen die af en toe een auto nodig hebben of als alternatief voor een tweede auto.
Ook veel bedrijven en instellingen willen hun medewerkers duurzamer laten reizen. Zo wil de RUG het liefst dat het personeel op de fiets of per e-bike naar de universiteit komt. In 2019 is er een nieuw zakelijk reisbeleid vastgesteld. Medewerkers wordt dringend gevraagd: is de reis noodzakelijk of kan het ook digitaal op afstand? Korte reizen binnen Europa (maximaal 500 kilometer of zes uur vanaf Groningen) moeten per trein worden afgelegd.
Voor buitenlandse dienstreizen bood corona steun in de rug. Bolderdijk: ,,We hebben ervaren hoe het is om online via Zoom of Teams met elkaar samen te werken. We zijn erachter gekomen dat het zeker geen vervanging is voor fysieke ontmoetingen, maar als je als wetenschapper wilt samenwerken met collega’s in Zuid-Amerika of je wilt naar een congres in Azië, dan hoef je niet per se te vliegen. Dat is pure winst, hoe erg corona anderszins ook is.’’
Hoe vakantievluchten zich na corona ontwikkelen is nog ongewis. Veel mensen zijn gewend om naar verre oorden te reizen. Zelfs veel plekken in het Middellandse Zeegebied zijn niet snel met het openbaar vervoer te bereiken. Bolderdijk: ,,Minder vlees eten is inmiddels niet meer zo moeilijk, want er zijn genoeg vleesvervangers. Minder of niet meer vliegen over langere afstanden is bij gebrek aan alternatieven veel lastiger. Dan kunnen we niet meer naar Amerika. Dat is een lastig dilemma voor mensen.’
Hij vindt het gedrag jegens vliegen een mooi voorbeeld van hoe gevoel en ratio kunnen botsen. ,,We weten dat vliegen een enorme impact heeft op het milieu. Er is veel energie voor nodig om een menselijk lichaam in de lucht te houden, want je moet aan de zwaartekracht ontsnappen. Daarom zijn er steeds meer mensen die vliegschaamte ervaren. Ze willen graag milieuvriendelijk zijn, maar ze pakken wel het vliegtuig. Die twee zaken rijmen niet met elkaar.’’
Veel mensen die vliegen terwijl ze beseffen dat het niet duurzaam is proberen volgens Bolderdijk ‘die ongemakkelijke waarheid weg te moffelen’. ,,Dat zie je veel gebeuren. Dan denken ze: het vliegtuig gaat ook wel zonder mij. Of: ik douche dagelijks korter, dus dan kan ik best een keer vliegen. Maar die twee zaken staan natuurlijk totaal niet in verhouding tot elkaar.’’
Ook Visser ziet veel tegenstrijdigheden bij consumenten. Wat ze wensen en nastreven, strookt niet altijd met hun gedrag. Hij haalt onderzoek uit 2019 aan waaruit naar voren komt dat stemmers op D66 en GroenLinks na VVD’ers het meest van iedereen vliegen, ‘terwijl ze het hardst schreeuwen om duurzaamheid’. ,,Mensen zijn soms heel krom bezig. Dat geldt ook voor mijzelf trouwens.’’
De weg naar duurzaamheid zit vol hobbels. Toch is Bolderdijk optimistisch gestemd. Al is het maar omdat de meeste mensen milieu wel degelijk belangrijk vinden. ,,Ze voelen zich alleen geremd in de mogelijkheden om duurzaam te leven.’’
Volgens hem hebben we de neiging te onderschatten hoe snel sociale veranderingen zich kunnen voltrekken. ,,Als er genoeg mensen zijn die veranderingen voorstaan, dan wordt de infrastructuur en wetgeving vanzelf aangepast. Wanneer het gaat om minder vlees eten en minder vliegen hebben we nu een momentum om in Glasgow duurzaam beleid vast te stellen, waardoor gedragsverandering een stuk makkelijker wordt. Dan ontstaat er een sneeuwbaleffect.’’