Archeoloog Daan Raemaekers van de Rijksuniversiteit Groningen bij hunebed D29 in Borger. Foto: Laura Popken
Hoe gingen de hunebedbouwers met hun doden om? Die vraag proberen archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen te beantwoorden door de bodem onder hunebed D29 bij Borger te onderzoeken.
Op donderdagochtend zijn archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen druk aan het graven en wroeten in de donkere aarde rondom hunebed D29, langs de N374 net buiten Borger. Ze willen te weten komen wat er zich in de prehistorie precies in de meters rondom het hunebed heeft afgespeeld, in plaats van direct onder de grote keien.
Archeoloog Daan Raemaekers wil weten hoe de hunebedbouwers, die zo’n 3400 jaar voor Christus leefden, met hun doden omgingen. Ook is hij benieuwd of het gebied rondom de hunebedden ook honderden jaren later nog is gebruikt door andere volkeren.
Zoeken in Valthe
De archeoloog en zijn team begonnen de zoektocht vorig jaar rondom het hunebed in Valthe. Veel vonden de onderzoekers daar niet, naar eigen zeggen door een gebrek aan aanknopingspunten.
Wel vonden ze vlak voor de ingang van de grafkamer van het hunebed onder de grond twee bekers en een schaal, in scherven. De sporen lagen op een plek waar ooit een grafheuvel moet hebben gestaan. Alle hunebedden lagen ooit onder zo’n heuvel.
Raemaekers vertelt enthousiast over de vondst. „Je kunt je dan voorstellen dat mensen daar wat hebben gegeten en gedronken bij de grafkamer.” Volgens Raemaekers was het aardewerk niet zomaar stukgegaan. „Het was echt uit elkaar gespat, alsof iemand het kapot had gegooid. De scherven lagen allemaal binnen een paar vierkante meter van elkaar. Ik denk dan een beetje aan een Griekse bruiloft.”
Zulke vondsten zeggen mogelijk iets over hoe mensen met hun doden omgingen. Nu wil Raemaekers verder zoeken in Borger bij hunebed D29, dat nooit eerder is onderzocht. „Heel simpel gezegd willen we toetsen of wat we vorig jaar in Valthe hebben gevonden bijzonder is, of dat het op meer plekken gebeurde.”
‘Hoeveel dichter bij de prehistorische mens wil je komen?’
Op die manier hoopt hij zo dicht mogelijk bij het gewone leven van de prehistorische mensen te komen. Er zijn immers geen geschreven bronnen uit die tijd en ook zijn er in het Noorden geen rotstekeningen gevonden zoals in Spanje of Frankrijk.
„Als archeologen praten we vaak heel algemeen over mensen uit het verleden. ‘Ze’ deden dit, ‘ze’ deden dat.” Maar in Valthe kon Raemaekers de mensen van vroeger bijna voor zich zien „Zo van: ‘Nou, de grafkamer is klaar, we gaan zo verder met het bouwen van de heuvel. Het is wel een goed moment om er even bij stil te staan. Laten we er een slokje op drinken.’ Hoeveel dichter wil je bij de prehistorische mens komen? Ik vind dit heel spannend.”
Uiteindelijk wil Raemaekers in kaart brengen hoe de hunebedbouwers omgingen met hun doden, als een soort handboek uit die tijd. „Zoals wij ook in onze tijd onze rituelen hebben bij de dood. Dat doe ik door te kijken waar we steeds dezelfde dingen zien gebeuren. Tegelijkertijd wil ik kijken waar ze afweken van dat ‘handboek’, en dus de rituelen en gebruiken die we al wel kennen. Het kan dus best zijn dat zo’n drankmoment als in Valthe een vast onderdeel is geweest. Net zoals wij koffiedrinken na een uitvaart.”