Edwin Klijn, leider van het project ’Oorlog voor de rechter’. Foto: Matty van Wijnbergen
Het is onduidelijk wanneer het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), het grootste oorlogsarchief, online mag. Eerst is een wetswijziging nodig. „We houden alles op scherp: zodra er groen licht is, gaan we alsnog met de eerste acht miljoen pagina’s online.”
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en minister Eppo Bruins van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben begin december voorlopig een streep gezet door de online openbaarmaking, omdat het volgens de AP in strijd is met de Archiefwet en de AVG. Dat terwijl het Nationaal Archief er al helemaal klaar voor was: op 2 januari zouden de eerste acht miljoen pagina’s uit het CABR online openbaar en doorzoekbaar worden.
„De waarschuwing van de AP is wel wat laat”, zegt een teleurgestelde Edwin Klijn, projectleider van Oorlog voor de Rechter. Klijn is vanuit de Stichting WO2Net verantwoordelijk voor de praktische uitvoering van de digitalisering en de bouw van de website. „Veel mensen leefden hiernaartoe. Voor het eerst sinds de vorming van het archief tachtig jaar geleden zouden nabestaanden van slachtoffers door alles heen kunnen zoeken en erachter kunnen komen wat er is gebeurd.”
Minister Bruins van OCW werkt nu aan een wetsvoorstel zodat publicatie van het CABR alsnog kan gebeuren. „Dat is positief, want je ziet dat dit onontgonnen terrein is. Maar de grote vraag is dus wel hoe lang dat gaat duren.” Tot die tijd zit het project in onzekerheid: „Dit houdt nu ook de innovatie tegen in ons vakgebied en wat we als archieven moeten doen.”
‘Altijd duidelijk geweest’
Het CABR is met 3,8 kilometer aan papier het grootste oorlogsarchief van Nederland en ligt in het Nationaal Archief in Den Haag. In het CABR liggen dossiers van 425.000 mensen die werden verdacht van collaboratie tijdens de oorlog. Vanaf 1 januari 2025 zouden deze archieven niet alleen openbaar worden, maar ook gefaseerd online komen.
Dit digitaliseringsproject onder de naam Oorlog voor de Rechter is sinds 2022 bezig. Dossiers uit dit archief zouden voor het eerst niet uitsluitend op te vragen zijn op namen van verdachten, maar online doorzoekbaar worden op bijvoorbeeld namen van slachtoffers of plaatsnamen. De privacy-waakhond vindt dat het Nationaal Archief onvoldoende met eerdere waarschuwingen tegen deze manier van openbaarmaking heeft gedaan. Daarom stapte de AP met een formele waarschuwing naar de minister.
Kern van het probleem ligt bij de persoonsgegevens van alle mensen die in de stukken staan genoemd: behalve de verdachten gaat het ook om slachtoffers en getuigen, die in 2025 nog in leven zouden kunnen zijn. Dat mag je volgens de AP wettelijk niet zomaar voor iedereen beschikbaar stellen. Documentatie openbaar toegankelijk maken kan, maar hierbij moet goed worden afgewogen wat er openbaar wordt gemaakt en op welke manier, schrijft de autoriteit op de website. De voorgenomen aanpak van het Nationaal Archief schiet in de ogen van de waakhond tekort.
Daar is het Nationaal Archief het niet mee eens: „We hebben er alles aan gedaan om zorgvuldigheid te waarborgen. Er is sinds 2023 een groep juristen binnen het project aan het werk geweest en we hebben al vanaf het voorjaar van 2024 contact gehad met de AP. We zijn altijd duidelijk geweest over welke stappen en maatregelen wij hebben genomen.”
Onbegonnen werk
Het archief heeft de namen van de verdachten gecontroleerd in het Nationaal Register Overledenen. Maar dat was volgens Klijn niet mogelijk met de namen van alle derden (zoals slachtoffer- maar vooral getuigennamen) in de ongeveer dertig miljoen pagina’s. Onbegonnen werk, stelt Klijn: bij deze namen staan vaak geen geboortedatum en -plaats vermeld en ze kunnen niet geautomatiseerd worden geïdentificeerd. Volgens eigen berekeningen van het project hebben 3 tot 4 miljoen mensen een relatie met mensen die in het CABR voorkomen.
Het Nationaal Archief stond voor een keuze: „Het belang van deze relatief kleine groep mensen die nog in leven kan zijn moet je afwegen tegen het maatschappelijk nut van het online beschikbaar maken van deze archieven. Mensen hebben recht op informatie. Het is de taak van archieven om toegang te geven en anno nu is dat digitaal”, vindt Klijn.
Maatregelen
Daarbij had het CABR wel een pakket maatregelen genomen. „We weten dat dit archief veel emoties kan oproepen. We hebben contact met zorgorganisaties en met belangenorganisaties van nabestaanden van zowel verzetsmensen, slachtoffers als collaborateurs. We zijn altijd heel open geweest over ons plan en hebben geluisterd naar de gevoeligheden”, stelt Klijn.
„De tendens van die overleggen was: geef een goede context, leg uit waar dit archief over gaat en wat het CABR is, blijf dichtbij het archief en ga niet te veel interpreteren.”
Ook zou de website niet vindbaar worden gemaakt via Google of andere grote zoekmachines. Daarnaast heeft het Nationaal Archief een informatiecentrum in de steigers gezet. „Daar kunnen mensen terecht om hun emoties te delen, of om te verzoeken toch bepaalde pagina’s die op hen betrekking zouden hebben offline te halen.”
Klijn: „En we hebben ook niet voor niets een regiotour door het hele land gedaan. Het is belangrijk dat dit onderwerp bespreekbaar wordt: je kunt niet verantwoordelijk worden gehouden voor de daden van je voorouders.”