Edwin Klijn, projectleider van Oorlog voor de Rechter, in het Nationaal Archief. Foto: Frank de Roo
425.000 mensen werden verdacht van collaboratie tijdens de Duitse bezetting. Een derde kreeg straf: 90.000 mensen met een schriftelijke bepaling, 66.000 mensen door de rechter. Straks kan iedereen vanaf de bank thuis lezen wie en waarom.
In het Nationaal Archief in Den Haag staan kasten vol dossiers, bij elkaar bijna 4 kilometer lang. Mappen vol bewijsmateriaal, juridische documenten, administratieve rompslomp. Processen-verbaal, brieven, getuigenverklaringen, foto’s, dagboeken, gerechtelijke uitspraken, lidmaatschapskaarten.
Het dertig miljoen pagina’s tellend Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), het grootste oorlogsarchief van Nederland, wordt gedigitaliseerd onder de naam Oorlog voor de Rechter. Dat de minister onlangs de online openbaarmaking uitstelde, betekent nog geen afstel, en dus gaat het digitaliseren door. Velletje voor velletje, voor- en achterkant.
„Echt monnikenwerk”, zegt projectleider Edwin Klijn, terwijl hij naar een stapel dozen met documenten van onder meer NSB-leider Anton Mussert en diens tweede man Meinoud Rost van Tonningen kijkt.
Nieuwe zoektochten
De dossiers zijn op naam van verdachten op te vragen. Als de verdachte al is overleden, kun je op de studiezaal het dossier opvragen en inkijken. Eruit citeren mag, foto’s maken niet. Leeft de verdachte nog, dan heb je toestemming nodig.
Alleen met voorkennis kun je hier iets terugvinden: wil je weten wat er met slachtoffers in de oorlog is gebeurd, dan zal je de naam van de betrokken verdachte moeten weten. En dan nog vergt het doorspitten naar bruikbare informatie geduld. De mappen puilen uit van losse papieren - alles ligt door elkaar, niks op chronologische volgorde.
„Je weet nooit waar je begint als je een mapje openslaat.” Daarbij is behalve geduld ook voorzichtigheid geboden. Zeker na de oorlog was de kwaliteit van het papier slecht; het kwetsbare dunne carbonpapier kan niet veel verdragen.
Medewerkers van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging bij de kaartenbakken met namen. Foto: Nationaal Archief
Straks kan iedereen met alle mogelijke (slachtoffer)namen en trefwoorden digitaal door het archief zoeken. Met één druk op de knop laat een nieuwe website alle relevante stukken zien, ongeacht in wiens dossiers ze opgeslagen liggen. Inclusief begrippenuitleg, een tijdlijn van de rechtsgang, en een automatisch gegenereerde getypte tekst die kan helpen bij het lezen van handgeschreven stukken.
Wie weet waar dat toe kan leiden? In theorie zouden we er zelfs eindelijk achter kunnen komen wie de ondergedoken familie Frank heeft verraden. Geen mens kan immers álle papieren dossiers al eens zorgvuldig uitgeplozen hebben. Zoeken naar de verrader kan nu alleen als we diens naam al weten. Zoeken naar de naam Anne Frank kan straks ook.
‘Ik heb het naar den zin’
Naast de opbergdozen van Mussert en Rost van Tonningen ligt er nog een. Die van S. van Droffelaar. Sander van Droffelaar, geboren in 1914 te Amsterdam. Een politieman die zich in 1940 aansloot bij de NSB, een jaar later volgde het lidmaatschap van de Nederlandse SS. Van Droffelaar kwam in 1943 bij de Staatspolitie en werd gedetacheerd bij de Duitse Sicherheitsdienst (SD), dienstelle Assen, zo staat in een van zijn processtukken. De Sicherheitspolizei werkte nauw samen met de Sicherheitsdienst. Klijn: „We zien in het archief dat de SS en SD best vaak door elkaar zijn gehaald.”
Van Droffelaar heeft een dik dossier.Vier mappen met stapels van, wat zou het zijn, 10.000 pagina’s? Klijn vist er een brief uit.
Brief aan kameraad, Assen, 25 aug 1943.
Je zult natuurlijk wel verschillende malen naar de post uit Assen uitgezien hebben, nu eindelijk is het dan zoo ver dat ik rustig even een briefje aan je kan schrijven.
Hier is alles goed en veel werk, dus ik heb het naar den zin, zooals je dat je wel kunt indenken. Ik ben ondergebracht op de marechausse-kazerne, nu heb ik een pracht van een kamer, het is een nieuwe kazerne dus dan weet je wel hoe zoo’n ding eruit ziet. Van de Sicherheitspolizei heb ik een radio georganiseerd en ik kan dank zij mijn bezigheden het in Assen best uithouden. De stad Assen is, misschien is je dat bekend een ROTGAT er is geen donder te beleven.
Erg leesbaar is Van Droffelaars schrijfsel niet: weinig interpunctie.
Ik heb hier nog een paar kameraden uit Schalkhaar gekregen (…) alleen is er een ding voor hun erg beroerd en dat is hun hebben geen rijwiel (…) en nu is er van de Sicherheitsdienst aan hun een tandem terbeschikking gesteld, in verband dat de afstand SD - kazerne te groot is om steeds te loopen.
Nu is dat natuurlijk verdomd lastig dat kun je wel begrijpen en toch soms ook weer gemakkelijk, want een dezer dagen moest ik een vent aanhouden en daar ik later nog iets anders te doen had gingen hun met mij mee. Ik kreeg die vent te pakken en gaf hem aan hun over, daar het een heel stuk was van dat adres naar de cel hebben ze hem gewoon op de tandem gezet en zijn zoo rustig door Assen naar het politiebureau gereden alwaar hij werd ingesloten.
Bijzondere rechtspleging
De eerste 8 miljoen pagina’s uit het CABR die online moeten komen, zijn de ‘zwaardere gevallen’. Zaken van moord, van mensenjacht, van verraad. Die worden deels als eerste gepubliceerd omdat van deze verdachten vaak al veel bekend is.
„Maar we doen deze dossiers ook eerst omdat er veel namen van slachtoffers in zitten. Dat kan dus interessant voor hun nabestaanden zijn.” Het oorlogsarchief is net zo goed een slachtofferarchief als een daderarchief, stelt Klijn.
Deze eerste 8 miljoen dossiers gaan over verdachten die door tribunalen, bijzondere gerechtshoven en de bijzondere raad van cassatie zijn veroordeeld. Deze rechtsorganen bestaan nu niet meer. In 1944 zet de regering, dan in ballingschap in Londen, een apart rechtsstelsel op om alle ‘foute’ landgenoten te berechten – en dat waren er nogal wat: vlak na de oorlog was je of goed, of fout. Wraakgevoelens voerden bij veel Nederlanders de boventoon. Je deugde, of je deugde niet.
„Maar in dit archief zie je een heleboel gradaties”, zegt Klijn. „Van meervoudige moordenaars tot mensen die ten onrechte zijn opgepakt en mensen die lid werden omdat de hele familie lid was en ze in onderhoud moesten voorzien.”
Deze bijzondere rechtspleging gold tot 1952. Nederland had in die periode negentien tribunalen die tot maximaal tien jaar gevangenisstraf konden opleggen. Van de bijzondere gerechtshoven telde ons land er vijf. Die konden gaan tot de doodstraf. De bijzondere raad van cassatie is ongeveer te vergelijken met wat we nu beroep noemen: die kon het besluit nog eens bekijken. Ook op lokaal niveau werden talloze onderzoeken ingesteld. Ongeveer tweehonderd lokale politiediensten hielden mensen tegen het licht die waren aangebracht. En ook die zaken liggen veelal in het CABR.
Aangrijpende verklaringen
De mappen van Sander van Droffelaar zitten vol processen-verbaal. Hij zat vast in het Huis van bewaring in Assen en had een waslijst aanklachten op zijn conto: van betrokkenheid bij moord- en schietpartijen, mishandelingen, verraad. Van de arrestatie en fusillade van zes mensen uit Kamp Vledder. Van de executie van verzetsmannen Roel Oosting en Albert Bijlsma.
Van het arresteren en fusilleren van Roelof Koops uit Hoogeveen. Daarover verklaarde Van Droffelaar:
In het najaar van 1944 ontvingen wij den opdracht van Ohloff (ook geschreven als Ohlhoff, Dietrich: leider van de Drentse afdeling, red.) om naar Hoogeveen te gaan en ons daar te melden bij den Hauptsurmführer van de Waffen-SS. Ik moest mee als chauffeur.
Ohloff verklaarde verder dat te Hoogeveen of in de omgeving daarvan een boer woonde, naar ik meen Koops genaamd, welke menschen, behoorende tot de Waffen-SS, te Hoogeveen bewogen had om onder te duiken en hiertoe daadwerkelijk zijn medewerking had toegezegd.
Ohlhoff gaf tevens opdracht dat de betrokken landbouwer gearresteerd en onderweg doodgeschoten moest worden.
Soms zijn (mede-)verdachten getuigen in eigen zaken, zoals hier. „Bij alle getuigenverklaringen in processen-verbaal moet je in het achterhoofd houden hoe betrouwbaar ze zijn. De een vertelt beter dan de ander, soms zeggen ze zich niks te kunnen herinneren, soms spreken ze elkaar op bepaalde punten tegen”, zegt Klijn. „Maar dat het aangrijpend kan zijn voor nabestaanden, is wel zeker.”
Nadat de arrestatie was verricht, zijn we in Hoogeveen naar de woning van den Hauptsturmführer gereden alwaar bedoelde landbouwer is verhoord.
De landbouwer ontkende enkele ten laste leggingen. Daarop heeft Noordenne (een medeverdachte, red.) den landbouwer in een gevulden badkuip met water gehad. Hierna bekende de landbouwer. Vervolgens zijn we met de arrestant in de richting van Assen gereden.
Nabij Spier klopte Jan Lammerts (een medeverdachte, red.) tegen de achterruit van de auto met de bedoeling dat we stoppen moesten. Nadat ik gestopt had, drong Noordenne mij naar voren (…) en stapte naar buiten, den arrestant met zich meesleurende. Dit zag ik niet, maar opeens hoorde ik een schot en zag dat de arrestant links naast de auto lag. Hij was door Noordenne door het hoofd geschoten. Mijns inziens was het slachtoffer direct dood.
Chaos
De eerste jaren van de naoorlogse periode waren chaotisch. Arrestaties begonnen al in 1944; toen de Duitsers de aftocht bliezen en er nog geen nieuw gezag was, maakten verzetsgroepen, militairen en geallieerden de dienst uit. Ongeveer 150.000 mensen werden opgesloten in geïmproviseerde interneringskampen en gevangenissen. „Soms zaten mensen een paar maanden in een kamp, maar werd na een onderzoek van twee weken geconcludeerd dat er niks aan de hand was. Dan had je al wel in je omgeving een stempel opgedrukt gekregen: je hebt vast gezeten, dus er zal wel wat mis zijn.”
Het waren er simpelweg te veel om allemaal uitgebreid te onderzoeken en te berechten. Zo’n 90 duizend ‘lichtere gevallen’ werden voorwaardelijk buiten vervolging gesteld: dat betekent dat deze mensen een schriftelijke strafbeschikking kregen en niet voor de rechter kwamen. Dat varieerde van een paar jaar geen stemrecht, boetes, ondertoezichtstelling (vergelijkbaar met wat we nu reclassering noemen) tot inbeslagname van bezittingen.
Een medewerker op archiefbeeld tussen de stapels dossiers van verdachte Nederlanders. Foto: Nationaal Archief
Bijna 1900 mensen zijn tot een gevangenisstraf van 10 jaar of langer veroordeeld. 152 mensen zijn ter dood veroordeeld. Sander van Droffelaar is een van de veertig bij wie de doodstraf daadwerkelijk is uitgevoerd. Hij is op 35-jarige leeftijd in november 1949 in Groningen gedood. Zijn 4 jaar jongere kompaan Jan Lamberts uit Norg onderging hetzelfde lot.
Lamberts (…) sleepte het slachtoffer vervolgens van den rijweg af op den berm, terzijde van den weg. Aldaar loste hij nog eenige schoten op het lijk. Waarom hij dit deed, weet ik niet.
Mij is den volgenden dag ter oore gekomen, dat Harders (…) met zijn commando, een kwartier na het gebeurde nabij Spier, terugkomende van een razzia, welke gehouden was door de Wehrmacht en de SD op de Veluwe, aldaar passeerden en het lijk hebben gevonden.
Waar ligt de grens?
Tweederde van de in totaal 425.000 verdachte mensen is niet verder vervolgd en heeft geen straf gekregen. Onvoldoende bewijs, onvolledige dossiers, onschuldig. „Er waren lijsten met mensen van wie het militair gezag dacht dat ze wat hadden gedaan, maar van wie ze het niet zeker wisten”, vertelt Klijn. „Zo is er iemand aangehouden die volgens geruchten lid van de NSB was. Dat bleek de Nederlandse Schaakbond te zijn.” Een bizarre situatie in de chaotische nasleep van de oorlog, wil Klijn maar zeggen.
Collaboratie. Een onderwerp waar we het in de samenleving nog bijna niet over hebben gehad, vindt Klijn. Met de openbaarmaking van deze archieven kan die discussie op gang komen. Want wanneer collaboreer je eigenlijk?
De zware gevallen met de dikste dossiers uit het CABR, zoals de Jodenjagers en de NSB-topmannen, zoals de Sander van Droffelaars, die zijn duidelijk. Maar wanneer ben je een grijs geval? „Er zijn mensen die collectes hebben gedaan voor het front. Wanneer wordt het actief samenwerken met de Duitsers? Wanneer is iets economische collaboratie? Zakenlieden zeiden dat ze zaken deden met Duitsland, omdat Engeland onbereikbaar werd en ze wel hun zaak in leven moesten houden. Waar ligt dan de grens?”