Een gletsjerwandeling bracht Barns-Graham tot het schilderen van abstracte landschappen. Hoe dat zat, zien we in museum Belvédère | Kunst kijken met Eric Bos
Wilhelmina Barns-Graham: ‘Gletsjerschilderij, groen en bruin’ (1951) olieverf op doek (54,5x64,2cm). Foto: Sheffield Museums
De grote verandering in het leven van landschapsschilder Wilhelmina Barns-Graham (1912-2004), één van de leden van de naoorlogse St. Ivesgroep, was een tocht in 1949 over de Zwitserse Grindelwald-gletsjer, ten noorden van de Eiger. Nu is die gletsjer weggesmolten, maar toen was het nog een natuurwonder, een ongekend landschap.
Barns-Graham toonde al eerder grote belangstelling voor abstracte kunst, hoewel ze zelf doorgaans figuratief schilderde. Maar op die gletsjer leerde ze pas echt kijken. Hoe schilder je een landschap dat bestaat uit verticale vormen, kaarsrechte wanden, geometrische volumes en stapelingen? Bestaan eigenlijk niet alle landschappen uit geometrie? Is er niet één alles overkoepelende en verbindende vormentaal in de natuur aanwezig zoals de Duitse natuurvorser Alexander von Humboldt al een eeuw eerder had ontdekt? En is abstracte kunst misschien de sleutel om die vormentaal te ontsluiten?
Zo tekende en schilderde Barns-Graham tussen 1949 en 1952 ineens een serie gletsjerschilderijen, intrigerende, bijna science fiction-achtige composities met volumes in koude, blauwe grijzen. Rechtopstaande kolommen, zoals de oeroude menhirs die je wel in het Engelse landschap tegenkomt. Een plastisch en ruimtelijk samenscholen.
Kust wordt gletsjer
En wat dan gebeurt, is dat Barns-Graham ineens ook de rotskust en de kliffen in haar Engelse omgeving opbouwt vanuit die universele, abstracte beeldtaal. Die kliffen, zoals Cliff uit 1952, heeft een metamorfose ondergaan door wat je oog ziet en wat een scherpe blik heeft ontdekt. De kust is een gletsjer geworden, met een maantje in de lucht en de zee onderaan om aan te geven: dit is echt nog wel een landschap.
Totdat ze in de jaren daarna ook deze excuses weglaat en unverfroren composities van louter vormen schildert die voor haar het universele weergeven. Wég met al die verplichte details als bomen, weggetjes, bootjes en huisjes die we nodig denken te hebben om een landschap te herkennen. Je denkt bij pure abstractie dat er, afgezien van kleur en vorm, niks te zien is, maar bij Barns-Graham biedt abstractie nou juist het venster op de werkelijkheid.
Het mooie is, je ziet in het werk van Barns-Graham van tien jaar eerder al een vermoeden. Als ze in 1945 haar simpel ingerichte atelier schildert, is alles herkenbaar, maar tevens een geometrische uitstalling, een abstracte compositie van rechthoeken, vierkanten en verticale en horizontale balken. Alleen de gele vaas heeft een menselijke vorm.
Barns-Graham bleef experimenteren met abstractie om de kracht van de natuur zichtbaar te maken. Haar potloodtekeningen zijn daar mooie voorbeelden van. Daarop is het landschap teruggebracht tot grote vormen, als van tektonische platen die elkaar in evenwicht houden. Of zoals een vuurwerk, bestaande uit kleurige stippen, als abstrahering van zo’n vuurwerklandschap van James McNeill Whistler.
Wilhelmina Barns-Graham: Nature in Motion. Museum Belvédère, Oranjewoud bij Heerenveen. Open: dit/m zo 10-17uur. T/m 20 september.