Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
Mijn zoon haat de zomer. Zijn grote broer lacht hem erom uit, maar dat is werkelijk het woord dat hij gebruikt: haat. En echt niet alleen in zo’n hittegolf als deze.
Hij houdt niet van heet, hij houdt niet van zijn eczeem dat opspeelt, hij houdt niet van zijn rode hooikoortsogen. Waarschijnlijk als enige Nederlander betreurt hij oprecht het einde van de winter, het moment waarop zijn broer juist weer tot leven komt.
We beklimmen samen de Kardingebult, om zijn nieuwe bergschoenen te testen en in te lopen. Met tegenzin draagt hij een korte broek en T-shirt, het liefst verstopt hij zich in hoodies. Maar daarvoor is het te warm.
Omdat hij de zomer haat, wil hij deze vakantie met mij en zijn opa de bergen in. Wandelen naar de eeuwige sneeuw. Hij kan zich geen mooiere bestemming bedenken dan iets dat zo onverstoord koud blijft in de zomer.
Dit is mijn laatste kans
Ik hoop zijn haat te benutten om liefde te kweken. De lokroep van de eeuwige sneeuw gebruiken om mijn passie voor de bergen op hem over te dragen. Bij zijn broer is het mislukt. Die vindt bergen best mooi, maar alleen om te bekijken vanuit de auto.
Dit is dus mijn laatste kans. Maar tijdens het beklimmen van de bult praat zoon onophoudelijk over mountainbiken, zijn nieuwe hobby. Over alle paadjes die hij hier wel eens afgefietst is, en hoe waanzinnig vrij het voelt, dat crossen door de bossen. Over het wandelen en de bergschoenen zegt hij niets, behalve dat ie die dikke zolen op de fiets irritant vond.
Nu hij net de snelheid heeft ontdekt, zal het lopen langzaam voelen.
Het ruige pad duizelt naar beneden
Bovenop de Kardingebult knuffelt een jong stelletje. Op een bankje, met uitzicht op het sportcentrum en de achterliggende wijken. Niks bijzonders, maar omdat ze hoog zitten, lijkt het toch romantisch.
Zoon gunt het allemaal geen blik waardig. Hij inspecteert de start van de fietscrossbaan daarboven. Het ruige pad duizelt slingerend naar beneden. Hij droomt ervan om daarvan af te racen. Misschien ooit, als hij een echte helm heeft. En als hij durft.
We doen de afdaling lopend. Naar beneden voelen zijn schoenen lichter dan omhoog, zegt hij. Op een drafje huppelt hij omlaag. Daar, bij de skatebaan, treffen we een drammende peuter en een schreeuwerige moeder in een impasse. Peuter weigert verder te lopen en gaat krijsend op de grond liggen.
Dan weet ik dat het goed komt, die vakantie. We gaan de bergen in, mijn zoon is oud genoeg om zelf te lopen en nog te jong om op de mountainbike zijn leven te wagen.
Alleen vraag ik me, druipend van het zweet, nog wel af hoe hoog die eeuwige sneeuw zich inmiddels heeft teruggetrokken. Dat zal nog wel even klimmen worden.