Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
„Mogen we al aan het bier?”, vraagt mijn tante om half vier ‘s middags. „Dat begint steeds later”, moppert ze hoofdschuddend over de verstandige jeugd van tegenwoordig.
Het is familiedag.
Achter de Noord-Hollandse duinen ligt de polder waar mijn voorouders als melkboeren en bollenkwekers hun brood verdienden. Mijn oom heeft een bak vol weelderige narcissen klaarstaan, voor iedereen een bosje om straks mee naar huis te nemen. Op het erf staat een springkussen voor de kleintjes, in de schuur een sjoelbak, potloden en kleurplaten.
De Franse vrouw van mijn neef sjoelt voor het eerst van haar leven. Ze kan het net zo goed als wij die er groot mee werden.
We zijn in een groot gezelschap, wijlen mijn opa en oma hadden elf kinderen die zich allemaal hebben voortgeplant. Niet zo enthousiast als hun ouders, maar toch met minimaal twee nakomelingen per persoon. De kleinkinderen kregen allemaal een eigen drinkglas van oma, met onze naam erop in plakletters: 24 stuks.
Door de opmerking van mijn tante denk ik terug aan de ochtenden van de polderse kermis. Eerst even koffie bij opa en oma en dan voor twaalven alweer aan het bier. Mijn broer en ik hossend met onze neven en nichten, destijds jonger dan mijn eigen zoon nu, die nog geen alcohol mag drinken.
Tijden veranderen, maar veel blijft hetzelfde. Mijn achterneef zegt ‘u’ tegen me, net zoals zijn vader dat zei tegen mijn ouders die ikzelf bij hun voornamen noemde. Vroeger vond ik dat raar, die focus op nette omgangsvormen. Nu zie ik bij deze aardige 16-jarige, die niet een keer zijn telefoon tevoorschijn haalt, ook de de positieve kanten.
Na het sjoelen is er een pubquiz met nostalgische vragen. Over opa’s tuinbonen die we hielpen doppen, eindeloze potjes rummikub met oma, de ingrediënten van het drankje ‘spoetnik’ dat we bij feestjes kregen. Koffiemelk, suiker en cola, stelt de quizleiding.
„Cassis!”, roept een van mijn neven hoofdschuddend. En dan proef ik het mierzoete spul weer in mijn herinnering. Met cassis, inderdaad.
De winnaars van de quiz krijgen een glas met hun naam erop in plakletters. Wij worden helaas tiende.
Aan het einde van de familiedag is een van mijn ooms dronken, precies zoals het hoort. Als zijn vrouw hem vraagt om even zijn bordje af te spoelen zodat het schoon weer mee naar huis kan, zegt hij lekker ‘nee’. Zijn dochter kijkt en zwijgt veelzeggend.
„Dit is het mooiste wat er is”, zegt een andere oom, die van de narcissen. Met waterige ogen kijkt hij naar de bonte verzameling mensen in zijn schuur.
Ik neem zo’n geel bosje van hem mee naar huis en droom die nacht van mijn oma. Ze is jong en staat in het publiek bij een concert. „Mijn oma is er!”, zeg ik enthousiast tegen iemand en ik voel de vreugde nog als ik wakker word.