Columnist Maaike Borst Foto: Marcel Jurian de Jong
Zijn hoofd hangt een stukje opzij, naast de leuning van de zwartleren elektrische rolstoel. Als we binnenlopen zit hij met de rug naar ons toe, we zien alleen zijn lichtbruine haren, nog altijd een volle bos.
„Hij is scheefgezakt”, zegt zijn vriendin, die hem op eigen kracht niet meer recht krijgt. „Ik moet even iemand roepen.”
We hebben chocolade en bloemen mee. Hij is jarig. Zijn vriendin heeft taart gekocht. „Wil je aardbeibavarois of chipolata?” Ik neem bavarois en ga zitten op zijn bed, meer dan één klapstoel is er niet op de kamer.
Een sterke jongeman komt langs om de jarige rechtop te zetten. Daarna hangt zijn partner een grote witte slab om zijn hals. Hij kiest ook bavarois. Ondertussen prutst hij wat onhandig aan een klein zwart doosje in zijn handen.
De taartschoteltjes en koffiekopjes passen maar net op het verrijdbare kastje met smal uitschuiftafeltje dat je zo handig boven het bed kunt plaatsen. Hij drinkt uit een schuine beker van doorzichtig plastic met grote oren aan beide zijden. Als hij hem op het randje van het tafeltje neerzet, schuift zij de beker veilig een stukje naar achteren.
Nieuwe ring
In het doosje, dat hij uiteindelijk open krijgt, zit een ring. Haar cadeau voor hem. „Mooi”, zegt hij.
Het valt me nu pas op hoeveel sieraden hij draagt, mijn schoonvader. „Mooi”, zegt hij nog een keer.
De nieuwe ring heeft een bruin gemarmerde steen, een tijgeroog, ze schuift hem om zijn vinger. Daarna wast ze druiven en radijsjes bij het kleine wasbakje in de hoek van de kamer.
„Wil je soep straks?”, vraagt een kordate vrouw die de kamer binnenloopt. Dat wil hij wel – als er geen stukjes inzitten.
Zijn zoon zit naast hem op het klapstoeltje. Dezelfde zware stem, ander fysiek. Hij heeft het chipolatagebak gekozen. „Smaakt goed”, zegt hij. De bloemen heeft hij in een vaas op het bureautje tegen de muur gezet. De computer gebruikt zijn vader toch niet meer.
Pa kijkt nog wel televisie. Liefst Duitse crimi’s, maar Flikken Maastricht is ook wel aardig.
Schalks kijkt hij naar haar
„Wat zit ik eigenlijk te eten?”, vraagt de jarige, terwijl hij aarzelend kauwt op een radijsje. „Ik dacht dat het een druif was.”
Hij wil weten hoe het bij de krant is en zegt dat ik eens wat zou moeten schrijven over het leven van parkinsonpatiënten. „Soms begin ik ergens over te praten. En dan ben ik het na twee zinnen alweer kwijt.”
Zijn vriendin loopt heen en weer met de kopjes en bordjes. Ze draagt een opvallende ketting met grote zwarte bollen, een vrouw met een sterke eigen smaak die zich niets laat vertellen. Schalks kijkt hij naar haar in het voorbijgaan, volgt haar bewegingen als ze sapjes inschenkt.
„Heb je niks aan, zo’n vrouw”, zegt hij met een ondeugende grijns, en bij die opmerking past zijn scheve hoofd precies goed.