We zitten op een boomstronk, Betty en ik. Een eindje verderop, verstopt tussen bomen in een afgelegen stuk bos, ligt een rots in de vorm van een hart. Oud, verweerd en afgebrokkeld, begroeid met plukjes mos. We zitten hier, omdat deze afstand precies goed is. Verder weg hoeft niet, maar dichterbij ook zeker niet.
Betty is bang dat ze dan nóg meer gaat voelen, en de tranen stromen nu al over haar wangen. Daarom blijven we hier, op deze boomstam en gluren we tussen de bomen door.
Betty is recentelijk de 60 gepasseerd. Wat ik zie aan de buitenkant zie, staat in schril contrast met wat zij zelf voelt, hoe zij naar zichzelf kijkt. Ik kijk naar een vriendelijke vrouw, lachrimpeltjes rond de ogen, een montere blik, met aandacht voor een ander. Ik voel de warmte die ze uitstraalt. Betty zelf waant zich van binnen in een kille, klamme, donkere grot. Tuurlijk, ze kijkt om naar een ander, en beleeft fijne momenten in een week, maar de zon piept nooit ver genoeg naar binnen om haar koude hart bereiken en verwarmen.
Klassiek verhaal
Betty weet wel hoe dat komt. „Eigenlijk is het een klassiek verhaal.” Moeder was ziekelijk en overleed jong, vader had een drukke baan. Toen moeder nog leefde fungeerde vader als een passant in het leven van Betty. Na het overlijden van moeder kwam de zorg voor de vier kinderen op zijn schouders neer.
Het bracht hem van zijn stuk, hij nam een kindermeisje aan om voor Betty en haar zussen te zorgen en vluchtte terug naar zijn werk. Binnen een jaar waren vader en het kindermeisje getrouwd. Betty koos haar eigen vluchtroute. Naar haar kamer en in zichzelf. Ze bracht er uren door met tekenen en lezen. Een uitweg uit de kille thuissituatie waar zij zich niet gewenst voelde.
Froukje Jackson
Froukje Jackson en Irma van Steijn zijn beiden GZ-psycholoog bij Maarsingh & van Steijn. Froukje in Groningen en Irma in Leeuwarden. Zij schrijven om en om een wekelijkse geanonimiseerde column over wat zij meemaken in o.a. de spreekkamer. E-mail: f.jackson@maarsinghenvansteijn.nl of i.vansteijn@maarsinghenvansteijn.nl.
Betty trouwde jong, achteraf gezien een manier om zo snel mogelijk uit huis te komen, denkt ze nu. Haar echtgenoot slaagde er niet in haar hart te bereiken. Betty zelf was te bang om hem toe te laten. Ervaringen met mensen die in de buurt waren gekomen, waren haar niet bevallen. Een tante, een lerares op school, de trainer van haar turnteam.
Kleinkinderen
Elke keer dat ze op het punt stond iemand wat dichterbij te laten, gingen ze weg. Verlieten ze haar. Haar ooit zo enthousiaste, kloppende hart vol hoop en verlangen versteende langzaam. Een tijdlang vond ze het niet zo erg. Met een versteend hart is voelen lastig, en dat was wat het dragelijk maakte. Tot haar dochter haar kleinkinderen schonk. Ineens besefte ze dat door het niet-voelen de liefde voor deze kleine mannetjes ook niet volledig tot uiting kon komen.
En nu zitten we hier. In onze gezamenlijke verbeelding. Op de boomstronk. Betty’s tranen zijn opgedroogd. Haar blik is zacht. Ze zegt: „Dank je wel dat je hier met mij wilde zijn. Ik was vastbesloten om nooit meer bij dat verdraaide hart in de buurt te komen, maar nu ik er zo naar kijk, tussen het mos, de scheuren en de afgebrokkelde randen door, ontroert het me. Ik heb iets teruggevonden wat ik kwijt was. Dit is míjn hart.”