Beeld uit 't Paradiis, een 'filmische audio-installatie' over de drie Terschellinger dialecten en hun sprekers. Foto: Heleen Haijtema
De drie Terschellinger dialecten zijn onderwerp van ‘t Paradiis, een ‘filmische audio-installatie’ op Oerol. Ze lopen direct gevaar, een voorloper van het lot dat het Fries en straks ook het Nederlands te wachten staat. Maar er is hoop.
Een flinke ruimte in de Tonnenloods, bij de haven van West-Terschelling. Witte wanden. Recht voor je: eilander taferelen, steeds behangen met de letters ‘t Paradiis (uit een feestwinkel, blijkt later). Links en rechts: fraaie, subtiel bewegende portretten van de geïnterviewden, en andere mooie plaatjes. Want als je toch op Terschelling bent...
Die beelden, ‘immersief’ want van drie kanten, zijn de vertaling voor het oog van waar het eigenlijk om gaat. Interviews met eilanders, over en vaak zelfs in de dialecten van Terschelling. Je hoort iemand zeggen dat het een handicap is, zegen en vloek tegelijk, om geboren te zijn op dit eiland. Omdat je altijd weer terug wilt. Naar dat eiland en, als je ermee opgegroeid bent, naar de wereld die deze dialecten (Aasters, Meslânzers, Westers) oproepen. ‘t Paradiis is niet voor niets de titel.
‘t Paradiis
‘ t Paradiis is tot en met zondag te zien in de Tonnenloods, West-Terschelling. Een ‘chronologische’ versie is te zien op www.babetterijkhoff.nl/terschelling.
Vandaar ook de beelden uit het Fries Film & Audio Archief van het oude Terschelling, waarmee Heleen Haijtema uit Tynaarlo (zij is verantwoordelijk voor het visuele deel van deze installatie) haar eigen beelden afwisselt, in de ‘chronologische' online-versie tenminste. „De ouderen die dit tot nu toe hebben gezien vinden dat fantastisch”, zegt Babette Rijkhoff. „En de kinderen raden dan: ‘Oh, dat is daar, dat is daar!’”
Kinderen van het eiland
Kinderen spelen sowieso een rol in dit project. Babette Rijkhoff, podcastmaker van beroep, liet juist kinderen van het eiland de interviews doen. „Interviewen vind ik zelf heel leuk, maar nog leuker is het als de kinderen van het eiland in contact komen met dialectsprekers. Om te leren over de plek waar ze vandaan komen.”
Wat uit die interviews blijkt: die dialecten worden nog maar weinig gesproken, en wel vooral door ouderen. Kinderen houden er mee op als ze naar school gaan en daar amper meer dialect horen, zeker als die school op de wal staat.
De ouderen die het tot nu toe hebben gezien vinden het fantastisch
Al zitten er in deze documentaire ook mensen die later alsnog terugkomen op hun dialect van vroeger. Omdat hun ouder wordende moeder het heel fijn vindt om die taal, van vroeger en van haar hart, te spreken. „Die mensen denken dan: dat kan ze met niemand meer. Dus gaan wij het gewoon met haar oppakken.”
Of iemand die in een verzorgingstehuis werkt, Fries van oorsprong, die haar best doet om de bewoners in hun eigen dialect te woord te staan. „Liefdevolle interacties”, noemt Babette dat.
De expositie over 45 jaar Oerol, in de Tonnenloods te West-Terschelling. Foto: Neeke Smit
Meslânzers woordenboek
Zelf groeide ze vanaf haar 2de op in Hoorn, Terschelling, waar haar ouders een pension hadden. Op school kreeg ze, van buurman Richard van der Veen, les in het Aasters, een van de drie dialecten die op dat eiland nog gesproken worden - mondjesmaat.
Toen ze naar Utrecht vertrok voor de studie, verdwenen die dialecten uit haar belangstellingssfeer. Maar toen ze van een vriendin het Meslânzers woordenboek cadeau kreeg, een vriendin bovendien die meedeed aan een toneelproductie in dat dialect, begon het te borrelen. „Ik dacht: hoe zit dat nou met die dialecten?”
Als ik iemand hoor zeggen dat het dialect voor hem niet zo belangrijk is, doet me dat pijn
Die dialecten, dat heeft natuurlijk alles te maken met regionale identiteit, en met iets als sense of place (ook de naam van het grote landschapsproject in de Wadden, opgestart door wijlen Oerol-oprichter Joop Mulder). Babette: „Als iets op het punt staat om te verdwijnen bedenk je: het is toch heel waardevol, het is iets van thuis. Iets waar je heel warme herinneringen aan hebt.”
Er zit nog een ander aspect aan, blijkt uit het verhaal van Brock Sampson: een Amerikaan (uit South Carolina) met Afro-Caribische wortels, die om de liefde in Hoorn is komen wonen. Hij heeft zich flink in de lokale cultuur gestort, onder andere via het plaatselijke koor.
Slavernij
Zelf voelt hij zich afgesneden van zijn achtergrond, zegt hij in de docmentaire. Omdat wegens de slavernij bruut hele bevolkingsgroepen uit Afrika werden gehaald. „Die hele achtergrond is ruw verloren gegaan”, zegt hij in de docu. „Als ik dan iemand hoor zeggen dat het dialect voor hem niet zo belangrijk is, doet me dat pijn. Zulke dingen zijn onderdeel van je DNA. Ik heb er mijn hele leven naar gezocht.”
En laten we wel wezen: hert lot dat deze drie eilander dialecten dreigt te treffen, langzaam verdwijnen, zou op termijn ook het voorland van het Fries kunnen zijn, het Nederlands zelfs. Zelf dacht Babette dat ze geen dialect sprak. „Maar ik zeg wel ‘bús’ in plaats van ‘zak’, en dat leer ik mijn kinderen ook. Ik heb er blijkbaar toch veel woorden van meegekregen.”
Ziel van Oerol in expo en docu
Alvorens de Tonnenloods, een karakteristiek gebouw met zicht op de haven van West-Terschelling, een ‘beleefcentrum’ wordt rond natuur en eilandcultuur, kan Oerol er terecht. Tijdens het festival is daar een expositie te zien en een documentaire, allemaal in het kader van 45 jaar Oerol.
Daar zijn verschillende foto’ s geëxposeerd uit het rijke Oerol-verleden, en affiches - de eerste decennia van de hand van Terschellinger Dirk Bakker.
Verder is er een aparte, kleine fototentoonstellng rond Juno Dijkshoorn, Terschellinger trans vrouw en nu een icoon in het Amsterdamse nachtleven, en een reeks kindertekeningen: resultaat van enkele workshops met kinderen rond Oerol.
Het hart van deze expo is een documentaire over 45 jaar Oerol (opgericht in 1981, de eerste editie was een jaar later). Thomász Lin van bedrijf Line Up Media stelde deze film samen, uit archiefmateriaal van Omrop Fryslân, AVROTROS en de vorig jaar overleden Olivier Jansen.
Die werkte in de spoelkeuken van De Stoep, de kroeg van Oerol-oprichter Joop Mulder, en legde met zijn 16-millimeter-camera een schat aan bewegende archiefbeelden aan. Deze beelden worden aangevuld met interviews.
„Het mooiste interview was met een man van grondverzetbedrijf Trip Hek, die met zijn graafmachine meewerkte aan het grote landschapsproject De jaarringen. Eerst was het voor hem gewoon een klus, maar hij was er toch diep van onder de indruk. Dat is mooi, dat kunst op een andere manier binnenkomt.” Van dat project is ook beeld, geschoten vanuit een vlieger. „Want er waren nog geen drones.”
Hij constateert dat de eilanders zich niet altijd gezien voelen door de Oerol-organisatie. Ze missen soms de ziel in het festival. „ik hoop dat deze film een brug kan zijn tussen beide partijen.”
Mede-samensteller Floor van Dijk, hoofd ‘partnerschappen’ bij Oerol: „Soms verlangen we naar iets van vroeger, in een wereld die veranderd is. De wereld is harder geworden, juridischer. Zo is het ook met Oerol. We verlangen allemaal weer naar die gekte en die spontaniteit. Allerlei dingen die vroeger konden, kunnen nu niet meer.”