Turkse vrouwen op de Bosporusbrug in Istanboel, met op de achtergrond de Hagia Sophia. Foto: EPA
Op je 20ste voor de eerste keer echt op reis, en dan meteen naar Istanboel vanwege een verboden relatie, dat is misschien wel vragen om moeilijkheden. Maar genieten was het ook.
Lang geleden was ik zover ik wist de enige Nederlander in Istanboel en verdwaald.
Mijn lot lag in handen van een kettingrokende taxichauffeur die ik niet kon verstaan en duidelijk de weg niet wist – of, zo vreesde ik steeds meer, snode plannen met me had.
Verboden relatie
Ik was 20 en had behalve de Zuid-Franse camping waar ik met mijn ouders naartoe ging, nog niet veel van de wereld gezien. Maar ik had een Turks-Nederlandse vriendin die in de zomervakantie enkele weken bij familie in Istanboel verbleef. En hoewel onze relatie verboden was en door diezelfde familie en alle andere Turken ten strengste afgekeurd zou worden als zij aan het licht zou komen, was ik vastberaden om haar daar op te zoeken.
En dus ging ik medio jaren 90 voor het eerst vliegen, in mijn eentje.
Om geld te besparen, koos ik voor een wat onbekende Turkse vliegmaatschappij gespecialiseerd in extreem weinig beenruimte, zo bleek.
Wat het nog wat benauwder maakte, was dat het toestel was volgepakt met alleen maar Turkse gezinnen en kartonnen dozen. Daarin zaten stofzuigers, magnetrons en allerlei andere elektronische apparaten die in Nederland een stuk goedkoper waren dan in Turkije.
Overgeven
Naast mij zat een Turkse vrouw en tussen ons in haar zoontje van een jaar of 3. Zodra we boven de wolken waren, daar had ik me bij mijn vliegdebuut het meest op verheugd, begon het jongetje als een bezetene over te geven. De rest van de reis moest ik me vooral concentreren om niet óók over mijn nek te gaan.
Istanboel zelf overrompelde me dusdanig dat de feta, tomaat en olijven die ik als hotelontbijt voorgeschoteld kreeg, me totaal niet smaakten.
Een blik op de Europese zijde van Istanboel. Foto: EPA
De stad telde op dat moment zo’n 8 miljoen inwoners en om de zoveel tijd werden die vanuit alle kanten op luide wijze opgeroepen tot gebed. Wie zich niet naar een van de ontelbare moskeeën spoedde, haastte zich ergens anders naartoe, in ramvolle bussen of in druk toeterende auto’s op veelbaanswegen zonder zebrapaden – in ieder geval remde niemand af voor overgangsplaatsen.
Op goed geluk
Eén zo’n racebaan moest ik dagelijks op goed geluk oversteken om bij de boot te komen die mij naar de andere kant van de Bosporus zou brengen, naar de wijk Kadiköy in het Aziatische deel van de stad, waar ik mijn vriendin heimelijk ontmoette.
Dit was natuurlijk allemaal razend spannend. Maar we hadden het leuk op een onschuldige manier. Toch ging er op een avond iets mis. Na weer een gezellige dag in Kadiköy moest ik kort voor middernacht de laatste boot zien te halen, terug naar mijn hotel in de wijk Eminönü, op het Europese deel van de stad.
Na 20 minuten varen bleek ik echter niet aangekomen in Eminönü, maar in de voor mij nog totaal onbekende wijk Karaköy. Kadiköy bleek niet het vertrekpunt van deze boot, zoals ik dacht, maar de plek van aankomst. Alleen had er niet Kadiköy gestaan, zoals ik dacht, maar Karaköy.
Hoe dan ook, het was midden in de nacht en ik was bepaald niet waar ik zijn moest.
Enige houvast
Mijn enige houvast was een papiertje met de naam en het adres van mijn hotel. Een tijdje hoopte ik dat ik in de buurt was en ernaartoe kon lopen. Maar hoe ik ook om mij heen keek, ik herkende niks.
Als enige Nederlander in Istanboel bleef ik niet lang onopgemerkt, en al snel nodigde een man met sigaret in zijn mond me op tamelijk agressieve wijze uit om in zijn taxi plaats te nemen: ‘Gel! Gel! Otur! Otur!’
Omdat ik het zelf ook niet meer wist, liet ik hem mijn papiertje zien en stapte ik, na iets dat leek op een bevestigend knikje, in.
Niet de kortste route
Het werd de langste rit van mijn leven. Ik was ervoor gewaarschuwd dat niet iedere taxichauffeur de kortste route nam of een eerlijk tarief rekende, maar dit sloeg alles.
Om te beginnen reden we minstens drie keer de Galatabrug over. We passeerden een fraai verlicht aquaduct (waren we in Rome beland?), we reden een rondje om het Topkapipaleis, we kwamen meer dan eens langs het gebouw van de Istanbul Universitesi en we doken tal van krappe straten in waarvan ik me afvroeg of je daar wel met een auto doorheen mocht. Ternauwernood ontweken we meerdere hand in hand lopende mannen en tal van straatkatten.
Net op het moment dat ik dacht dat deze duistere dollemansrit waarschijnlijk mijn einde zou betekenen, stopte de taxichauffeur abrupt, draaide zich om, blies wat grijze rook uit en wees naar een getal dat op het dashboard oplichtte: 2.004.660 – toch wonderlijk hoe zo’n bedrag je voor altijd bijblijft.
Of ik even ruim 2 miljoen Turkse lira (omgerekend iets van 50 euro) wilde aftikken.
Nu kampte Turkije op dat moment met een gigantische inflatie, zoals wel vaker, dus omgerekend kon ik het lijden, maar alsnog was dit veel te veel geld voor een taxirit, dat had ik wel in de gaten. Maar ik was blij dat ik het avontuur weliswaar doorrookt maar heelhuids had doorstaan, dus ik schudde al mijn 10.000 lira-biljetten uit mijn portemonnee en strompelde, nog altijd wat verloren, mijn hotel binnen.
Echt op reis
De volgende ochtend at ik alles wat het ontbijtbuffet te bieden had met smaak op. Toen ik opschrok van wéér een oproep tot gebed, welde er een gelukzalig gevoel in me op. Ik had een vreselijke vlucht gehad, ik was al een paar keer bijna doodgereden, en nu ook nog eens opgelicht door een taxichauffeur! Voor het eerst in mijn leven was ik echt op reis.