‘Vol verwachting klopt ons hart’, ja toedeledokie. Als we iets lekkers voor hem hadden, konden we het maar beter nu meteen geven | column Wieberen Elverdink
Voor het eerst in dertien jaar zouden we vandaag pakjesavond vieren zonder gelovigen in ons midden.
De oudste twee, 13 en 11, wisten al jaren hoe de vork in de steel zat. Al die tijd hielpen ze ons het geheim te bewaren voor hun jongere broertje (8). Fanatiek speelden ze het spel mee, als buurman M. steevast even voor halfzeven op de ramen bonkte en er in het schamele schijnsel van de lantaarnpaal een wasmand met cadeaus voor de deur stond: ,,Hè? Hoe kán dat?’’
Ik weet niet eens waar ik meer van genoot: die geacteerde verbazing van de oudsten, hun trots deel uit te maken van het Genootschap van Grote Mensen, of de oprechte schok van hun broertje.
Maar goed. Dit jaar zou het anders zijn.
Ergens in juni was het sprookje doorgeprikt. Vanuit het niets had de 8-jarige er vragen over gesteld. Mijn vrouw had er niet langer omheen willen draaien en alles uit de doeken gedaan. Dat had hij stom gevonden, hij had zich bekocht gevoeld, maar de situatie geaccepteerd en ineens waren er allemaal puzzelstukjes op hun plek gevallen.
Die ene Piet in het dorp, die altijd zo leek op de moeder van een klasgenootje.
Die wasmand voor de deur, helemaal uit Madrid, maar toch precíes zo eentje als wij thuis ook hadden, inclusief een identieke barst in het handvat.
,,Hij weet ervan’’, knikte mijn vrouw veelbetekenend, toen ik die junidag was thuisgekomen. ,,Ja, ik weet alles’’, bevestigde de jongste, trots bijna.
We hadden als huishouden een nieuw level bereikt, zo voelde het.
Toegegeven: het was de afgelopen weken best plezierig om geen believers meer in huis te hebben. Om niet voortdurend met meel in de mond te hoeven praten, om gewoon hardop te kunnen zeggen dat we de man achter Sinterklaas ook zo grappig vonden als hij Kees in Flodder speelde. En om onomwonden te kunnen aankondigen dat we Sinterklaasinkopen gingen doen, in plaats van het krampachtige ,,op pad te gaan voor vijf-twaalf’’, knipoog-knipoog.
De jongste ontpopte zich aanvankelijk zelfs als iemand van de harde lijn. Toen we laatst onze schoen gingen zetten, gewoon voor de ouderwetse gezelligheid, was hij voor het zingen balsturig geworden. Wát een onzin, die liedjes, vond hij. ‘Vol verwachting klopt ons hart’, ja toedeledokie. Als we iets lekkers voor hem hadden, konden we het maar beter nu meteen geven, want voor dit toneelspel was hij, eerstejaars ongelovige, nu écht te groot geworden.
Ja, ja.
Gisteren vertelden we de kinderen dat ze nog één keertje hun schoen mochten zetten, mét begeleidend gezang, sorry, daarover kon niet worden gecorrespondeerd, want dat hoorde er nu eenmaal bij. Nadat de jongste dat hoorde, dook hij in de knutselkast en nam er een vel papier, plakband en zijn bak met stiften uit. IJverig zette hij het op een schrijven en zodra iemand wilde kijken wat hij in zijn schild voerde, schermde hij het tekenvel met zijn hele lichaam af.
Toen ik gisteravond voor het slapengaan naar het toilet ging, ontdekte ik een mysterieus leeg schaaltje in de hal. Op de wc-deur prijkte het papier van de 8-jarige, met daarop een tekst en een dikke rode pijl richting het lege kommetje.
Bij het lezen kon ik een glimlach niet onderdrukken: ‘Pieten, plassen voor twee pepernoten!’