Ze hadden gezegd dat het er stil zou zijn. Ze hadden gezegd dat het er mooi zou zijn. Ze hadden gezegd dat het er onmetelijk zou zijn.
Nu zaten we daar in de zon, op een natuurstenen bankje op de Amerikaanse militaire begraafplaats van Colleville-sur-Mer, de oudste (13) en ik, omringd door duizenden kruizen van smetteloos marmer, opgesteld in een statig patroon van kaarsrechte rijen, als was het om de onbegrensdheid van deze plek, van het leed dat die vertegenwoordigde, te beklemtonen.
En ik dacht: ze hadden gelijk.
We zaten, zwegen en keken. We luisterden naar de zachte geluiden die op elk willekeurig ander oord onhoorbaar zouden zijn gebleven, maar hier boven de sereniteit uitstegen, als fluisterstemmen in een bibliotheek.
De branding onder ons, over de rand van het duin - golven die eindigden op hetzelfde strand dat die mistige zesde junidag van 1944 rood kleurde.
De wind die verderop een lijn tegen de vlaggenmast tikte en met het doorschijnend linnen van de star-spangled banner in de top speelde.
De voetstappen van een klas pubers, sneakers op roestbruine klei. Dreadlocks. Trainingsbroeken en ruimvallende capuchontruien met ‘Lyon’ onder ernstige, jonge gezichten.
Tot de dertienjarige opveerde en zijn fotocamera in stelling bracht. ,,Daar. Kwikstaart.’’
Inderdaad: tussen de rijen van Sectie J dartelden twee zwart-witte vogeltjes in onvoorspelbare bogen door de lucht. Hun amper waarneembare wiekslagen brachten een zacht zoemend geluid voort. Af en toe landde er eentje op een grafmonument, om te rusten in de zon.
We vonden dat ze er aan toe waren, Normandië. Dat onze kinderen (13, 11 en 8) oud genoeg waren om iets te kunnen begrijpen van wat eigenlijk niet te bevatten viel.
Ze kenden de oorlog van de verhalen op school. En nog beter van hun overgrootvader, pake Oebele, die de generaties na hem zo geregeld over de fusillade van Trimunt vertelde. Het oorlogsdrama vlakbij zijn woonplaats dat zoveel indruk op hem had gemaakt, omdat het aan zestien willekeurige buurtgenoten, stuk voor stuk bekenden, het leven had gekost, terwijl hij – 16 jaar destijds – de dans was ontsprongen.
Het leek ons goed om nu eens de plekken te bezoeken, ver van Trimunt, waar op D-Day en de weken daarna de ommezwaai gestalte kreeg. De stranden, de heuvels, de stellingen waar meer dan 77 jaar geleden onze vrijheid begon. De herfstvakantie, zo zeiden we, moest een reis in de geschiedenis worden.
Dus wandelen we zwijgzaam langs de bunkers en bomkraters van Pointe du Hoc, keken we uit over de restanten van de geallieerde haven van Arromanches-les-Bains en trotseerden we wind en regen voor een wandeling over Omaha Beach, een strand als alle andere en tegelijkertijd helemaal níet.
En nu zaten we dus hier op een bankje op de militaire begraafplaats, American soil in Frankrijk, te midden van meer dan negenduizend monumenten naar twee dansende kwikstaarten te kijken.
Onwetend van het gewicht van deze plaats flitsten ze elkaar lustig achterna, van kruis naar kruis. Verbonden ze de namen van de gevallenen in een spel waarvan niemand de regels kende.
En zo maakten die vogeltjes dit voor heel even niet tot een plek van oorlog, maar van onschuld. Niet van dood, maar van leven. Niet van geschiedenis, maar van toekomst.