Het NNO en Cappella Amsterdam tijdens de opnamen van 'Igor Stravinsky Late Works'. Foto: Marijn Boeré
Onlangs speelde het Noord Nederlands Orkest nog de Sacre du Printemps van Igor Stravinsky (1882-1971). Samen met Petroesjka en De Vuurvogel zijn meest gespeelde werken. Nu is er ook een album van het NNO met Stravinsky’s zelden uitgevoerde twaalftoonsmuziek.
Na zijn neoklassieke opera The Rake’s Progress (1951) ging Stravinsky een andere kant op. Stapsgewijs ging hij op weg naar het werk van zijn net overleden tijd- en stadgenoot Arnold Schönberg (beide componisten woonden in die tijd in Los Angeles): de twaalftoonsmuziek.
Dat is voor velen voldoende reden om vooral niet naar deze muziek te luisteren. Het wordt ook vrijwel nooit live uitgevoerd. In 2024 speelde het NNO met Cappella Amsterdam tweemaal juist die muziek: in Groningen en Amsterdam. Er werden in De Oosterpoort ook opnamen gemaakt die nu op cd zijn verschenen: Stravinsky Late Works.
‘Otche Nash’
Daniel Reuss (dirigent van Cappella) en Siewert Verster (oud-directeur van het Orkest van de Achttiende Eeuw) hadden een droom: late religieuze muziek van Stravinsky opnemen. Zij bespraken dat met artistiek leider Marcel Mandos van het NNO en daaruit is dit klinkende resultaat voortgekomen.
Overigens staan er niet alleen late werken op, maar ook een Otche Nash (Onze Vader, 1926) en Chorale, een voorstudie voor de Symfonie voor blaasinstrumenten. Daarna is het niet allemaal twaalftoonsmuziek, maar ook stukken op kleinere toonreeksen zoals In Memoriam Dylan Thomas, met een middendeel voor tenor en strijkkwartet dat uitermate toegankelijk klinkt, bijna Benjamin Britten.
Threni (klaagzangen van Jeremia) is het langste werk op de cd. Het is door en door twaalftoonsmuziek en klinkt vaak vrij streng en ongenaakbaar – bijvoorbeeld in een deel met soli voor twee tenoren en twee bassen. Het hele stuk zit trouwens ook vol met getallensymboliek, wat de strengheid vergroot.
In topvorm
Volgens de dichter Eugenio Montale, die bij de première was, moest je er met een ‘maagdelijke geest’ naar luisteren, want aan een toelichting over hoe het in elkaar zat had je niet zoveel. Andere twaalftoonsstukken op het album zijn niet alleen veel toegankelijker maar ook korter en vaak ronduit mooi, zoals de twee minuten Elegy for J.F.K (Kennedy) en Anthem op een tekst van T.S. Eliot.
Het toegankelijkst, zelfs bijna tonaal, is het allerlaatste werk, de Requiem Canticlesi: zeer Russische twaalftoonsmuziek die ook bij Stravinsky’s eigen begrafenis is uitgevoerd. Cappella Amsterdam, de zes solisten en het zeer spaarzaam, kamermuzikaal ingezette NNO zijn voortdurend in topvorm, dus de droom van Reuss en Verster is uitgekomen. Iedereen luisteren dus.
★★★★★
Cappella Amsterdam en het Noord Nederlands Orkest: Igor Stravinsky Late Works