Er heerste onduidelijkheid over het huiswerk voor godsdienst. De pagina’s die de dertienjarige moest leren voor het aanstaande proefwerk kwamen niet logisch overeen met de hoofdstukindeling van de lesstof, zoiets. Hij maakte zich er zorgen over, zoveel was duidelijk.
,,Joh, waarom ga je het niet even na in de klassenapp?’’, stelde ik voor. ,,Daar weten ze het vast.’’
De klassenapp, vraagbaak en moppentrommel ineen. Bron van informatie en ongein, van leertips, roostermededelingen en roddels. Kortom: een onmisbaar digitaal schoolplein voor elke scholier. ,,Dat kan helaas niet’’, antwoordde onze oudste. ,,Ik ben daar uit gestapt.’’ Wat?
Hij las de vraagtekens in onze ogen en zette uiteen. Er zat sinds kort een nieuwe jongen in de klas. Een aardige knul, daar niet van, maar anders dan de anderen. Hij kleedde zich niet volgens de laatste modetrends en was verbaal niet altijd gewiekst genoeg om zich staande te houden in het soms vlijmscherpe vertoog dat pubers er op na houden. Het scheen dat vooral de meiden in de klas zich aan hem ergerden. Eén van hen kieperde de nieuweling zonder pardon uit de klassenapp. Ciao. Zoek het uit.
Die actie maakte wat los bij een ander deel van de groep. Het duurde niet lang voor één van de jongens de nieuwe klasgenoot weer toevoegde aan de app, waarna één van de meiden de verschoppeling andermaal digitaal de deur wees.
En zo pingpongde de nieuwe klasgenoot steeds in- en uit de groepsapp, heen en weer tussen acceptatie en uitsluiting. Gemeen. Dát was het. ,,Dat vonden wij dus ook’’, zei onze oudste.
En toen gebeurde er iets opvallends. De jongens in de klas besloten het er niet bij te laten zitten. Die nieuwe gast eruit? Dan wij ook. Eén voor één verlieten ze resoluut de groepsapp, die van ons ook, een stille daad van verzet. ,,Al komt mij dat nu dus niet zo goed uit’’, verzuchtte hij.
Ik keek hem bewonderend aan. Ik kende de dertienjarige die ik zelf was geweest. Had die het destijds gedurfd om op te staan tegen pesterijen? Beslist niet. Ik zou niet gauw zelf de pestkop uithangen en met de afstelling van mijn onrechtvaardigheidsantenne was niets mis, maar tegelijkertijd had ik de moed niet om treiteraars terecht te wijzen. Ik zou mijn verontwaardiging verzwijgen als dat beter was voor mijn eigen positie in de pikorde. Nee, zoals zoveel kinderen had ik geprobeerd mijn eerste middelbareschooljaren zo onopvallend mogelijk door te komen en ver weg te blijven van welke conflicten dan ook. Niet iedereen kan een held zijn/er moeten ook mensen gered/de truc is dansen op de gulden middenweg/en dat red ik nog maar net, zongen Acda en De Munnik en ik kweelde het luidkeels mee.
En nu zat ik naast een jongen die wél was opgestaan. Natuurlijk: hij was niet de enige, en vanzelfsprekend was het eenvoudiger om een daad te stellen tegen de uitsluiting van een klasgenoot als je je door medestanders geflankeerd wist. Maar hij dééd het tenminste.
Het godsdienstproefwerk was even niet van belang. Hier was hem een veel zwaardere toets voorgeschoteld. En hij was er met vlag en wimpel voor geslaagd.