Oké. Ik ga u iets bekennen. Ik zal een geheim verklappen dat ik al jaren angstvallig voor mezelf hou, omdat ik me er een beetje voor geneer, al zegt mijn vrouw – de enige die ervan weet – dat die schroom nergens voor nodig is.
Komt-ie.
Ik heb een land in mijn hoofd.
Een land waar nog nooit iemand is geweest, nog nooit iemand een foto van heeft gezien en nog nooit iemand een boek over heeft gelezen, omdat het niet bestaat. Althans, niet buiten mijn eigen fantasie. En niet buiten mijn telefoon, want in de diepste spelonken van mijn mobieltje bewaar ik een lijst met enkele honderden zelfbedachte plaatsnamen, een fictief plaatsnaamregister dat ik wekelijks aanvul met nieuwe steden, dorpen en gehuchten. De meeste zijn Nederlands, maar er zitten ook Franse bij, want een deel van het land in mijn hoofd is Franstalig.
Een naam heeft mijn land niet, maar de hoofdstad heet Eschem. Het ligt ingeklemd tussen rivier de Delder in het noorden en een groot, glooiend bosgebied aan de zuidkant. Het vormt een agglomeratie met het groezelige Delderhem, cultuuroord Loohem, de rijkeluisvoorsteden Cassum en Hericum (Herkum), het volkse Jeslinghuizen, de zware industrieën van Aschoven en forensenstad Fijnburg.
En als u nu denkt: prima jongen, maar hou die topografische hersenspinsels lekker voor jezelf, dan snap ik dat, bladert u dan gerust verder, maar bovenstaande alinea’s zijn het resultaat van jarenlang opgekropt enthousiasme, een eruptie van de verbeelding die ik al die tijd beteugelde.
Waarom?
Ik durfde er gewoon met niemand over te beginnen. Want wie dagdroomt er nou over fictieve werelden? Ja, kinderen. En Tolkien, maar dat telt niet, want diens imaginaties waren een verdienmodel.
Ik was bang dat anderen het bespottelijk zouden vinden, een vent van veertig met zo’n dikke duim. Een fantast. Iemand die ‘ze niet alle vierentwintig in het kratje’ had, of op z’n minst niet met beide benen op de grond stond.
Toch permitteerde ik mezelf die onregelmatige ontsnappingen. Want dat waren het soms: pogingen om aan de realiteit te ontglippen, om het gemoed tot bedaren te brengen. Als ik opzag tegen de afspraak van morgen, reed ik ‘s avonds in de intercity van Eschem naar Varsvoorde en gleed ik in gedachten voorbij aan alle stations op dat tracé: Eschem-Centraal; Eschem-Jeslinghuizen; Eschem-September; Raast; Roosduinen; Gouwkapel; Breegt; Markiezenboogerd; Varsvoorde-Kustburg; Varsvoorde-Centraal. Het bood kalmte.
En als ik ’s ochtends dan nerveus naar die afspraak reed, prevelde ik ter geruststelling de fileberichten van mijn imaginaire land: ‘A2 Eschem – Overstland, bij knooppunt Septemberpolder, 6 kilometer door wegwerkzaamheden’.
Na verloop van tijd begon ik me af te vragen of ik de enige was met een schaduwland tussen de oren. Op internet ging een wereld voor me open: ‘geofictie’, zo bleek mijn verbeeldingsdrang te heten, is helemaal niet zo zonderling. Velen houden zich ermee bezig. Er bestaat zelfs een club voor, het Genootschap voor Geofictie.
Ik hoef daar niet per sé lid van te worden. De wetenschap dat het bestaat, dat ik me niet onnozel hoef te voelen, is mij waardevol genoeg. Dus probeer ik me hierbij van de schroom te ontdoen.