Al een paar weken staat de scootmobiel van pake, mijn enig overgebleven grootouder, in een schuur. In onbruik. Opgeslagen, ver van het zorgcentrum waarin hij woont, ver buiten zijn zicht. Het warme dekentje voor over zijn benen ligt erbij.
Het kon niet meer.
Eén op de vijf Nederlanders krijgt dementie en in onze familie heeft die statistiek met pake een gezicht gekregen. Sinds de nevel een paar jaar geleden ongemerkt in zijn geest was geslopen en daar gaandeweg steeds meer bezit van nam, was pakes besef van plaats en tijd stilaan vervaagd geraakt. Dan wilde hij op de meest ongelukkige momenten ineens op pad met zijn elektrisch aangedreven karretje, tegen het eind van de middag, als het bijna etenstijd was en het al begon te donkeren. Of had hij onrealistische bestemmingen voor ogen, tot Eindhoven aan toe, de stad die hij in zijn werkzame leven als vrachtwagenchauffeur voor Philips - Flíps, zei hij zelf – zo geregeld had aangedaan.
Soms kwam pake veel te laat thuis, tot bezorgdheid van zorgpersoneel en familie, maar zich in al zijn reislust zelf van geen kwaad bewust.
Een maand of drie geleden was hij op zijn Solo Comfort opzichtig ons huis gepasseerd. Toen ik naar buiten liep en vroeg waar hij naartoe ging, wees hij op een sticker onder het stuur, met daarop de naam van het bedrijf dat het hulpmiddel had verstrekt, hij wilde door een monteur naar de accu laten kijken. Die firma was gevestigd in de Grote Plaats, een kilometer of zes verderop, een plek die hij kende als zijn broekzak. Later die dag hoorde ik dat hij er hopeloos was verdwaald.
Het zou zijn laatste tochtje blijken.
Er móést wat gebeuren. Een wrange vaststelling, zeker voor iemand die een leven lang een kilometervreter was geweest. Een man die hechtte aan de vrijheid van mobiel zijn, de vlam in de pijp, aan het avontuur van nieuwe wegen en verre einders - en aan het thuiskomen daarna misschien nog des te meer.
Nu bevond hij zich permanent in het schemergebied tussen weggaan en thuiskomen. In een wereld van rusteloosheid, die onherroepelijk kleiner en kleiner werd – en niet alleen geografisch. Herinneringen vervlakten, woorden raakten zoek. Gesprekken werden moeilijker, heldere momenten spaarzamer.
En in die wereld deed zich kort geleden iets voor dat mij nogal trof.
Op een namiddag had zich in pakes hoofd de verwachting genesteld dat er bezoek zou komen: ,,de buren’’, verklaarde hij, al bleef onduidelijk wie dat dan waren. Omdat de ‘visite’ met hem de broodmaaltijd zou gebruiken, had hij zes boterhammen met kaas gesmeerd en die over de bordjes verdeeld.
Het beeld van een 94-jarige man, alleen aan een oud-eiken tafeltje met zes borden met broodjes kaas, wachtend op bezoek dat niet zou komen. Van een man die spulletjes na verloop van tijd maar weer opborg in de koelkast – misschien was de kaas morgen nog bruikbaar.
Was hij teleurgesteld of zelfs narrig geweest, omdat die buren de afspraak blijkbaar waren vergeten?
Of was hij geschrokken, omdat hij zich in een kort helder moment ineens realiseerde dat er helemaal geen afspraak bestond?
Ik weet eigenlijk nog steeds niet precies welk scenario ik verdrietiger vind.