Onderweg van de ene bezienswaardigheid naar de andere, toerend door een decor van heuvels en haagjes, langs weilanden vol spekkige koeien en voorbij dorpen met dichte luiken en modderige straten, rukte mijn vrouw ons uit de dromerigheid van het Franse platteland.
,,Niet vergeten dat we zo meteen nog even boodschappen moeten doen. De koffie in de stacaravan is op’’, zei ze, gevolgd door het onheilspellende: ,,En we zien daar wel wat we nog meer nodig hebben.’’
Nu ben ik thuis niet zonder tegenzin een supermarkt in te krijgen, boodschappen doen is een noodzakelijk kwaad, maar in Frankrijk is dat andere koek. Tenminste, als je je tot zo’n kolossale blokkendoos wendt, op een non-descripte zone commerciale aan de rafelrand van elke willekeurige provinciestad.
Zo’n groteske verzuipformule met de omvang en uitstraling van een vertrekhal, uitkijkend op een geasfalteerde parkeersavanne waar inderdaad een Boeing op zou kunnen landen.
Een plek die ondanks een schrijnend gebrek aan schoonheid in alles zo exorbitant is dat je er simpelweg door overweldigd raakt.
De hypermarché.
We parkeerden de auto in één van de vierduizend parkeervakken en trokken een karretje uit één van de daartoe bestemde paviljoens, waarna de betovering begon in de luchtsluis voor de entree, tussen de twee schuifdeuren. Een ruimte waarin een verwarrende mix van elektrische fietsen, tuinmeubelsets, speelgoedgrasmaaiers, plasma-tv’s, een kist watermeloenen en een stelling met verzamelalbums van de Franse zanger Johnny Hallyday om onze aandacht schreeuwde.
Twee tellen later waren we de kinderen al kwijt. Dat wil zeggen, ze smeerden ‘m, al wisten we waarheen: naar de visafdeling, tevens natuurmuseum. Daar zouden we ze waarschijnlijk pas aan het eind van onze winkelreis terugvinden, sprakeloos gebogen over een zorgvuldig op een bed van ijsblokken uitgestald zeebanket.
Ze zouden ons stamelend wijzen op al die onbekende vissen, kleurrijke spelingen der natuur, gedrocht en delicatesse ineen, zo vers dat het leek alsof een kotter uit het haventje van Port-de-l’Ecquerbecq ze nog geen vijf minuten geleden boven deze vriesetalage had uitgespuwd.
In de tussentijd vergaapten wij ons aan de overvloed van de cave à vins, de wijnafdeling die zich over lengte van een volledig gangpad uitstrekte, van goedkope lokale verrassingen tot exquise gebottelde bocht met de prijs én de smaak van een halve tank diesel.
We vroegen ons af of die achttien verschillende soorten abrikozenjam ook allemaal anders zouden smaken, kozen bij de zuivel uit een baaierd aan smeerseltjes tóch weer voor de vertrouwde knoflookspread en laadden de kar in met lekkers waarvan we vijf minuten geleden nog niet wisten dat we het nodig hadden.
Och jongens, verkneukelde ik me, die hypermarché! Wát een vondst!
Bij het afrekenen ging het alsnog mis.
Want zo grenzeloos de bazen van de hypermarchés zijn met het samenstellen van hun koopwaar, zo zuinigjes zijn ze met het inzetten van caissières. Van de vijftig kassa’s bleken er maar vier bemenst en wij opteerden uitgerekend voor de rij waarin een oude dame met het uitschrijven van een cheque argeloos een kwartier stuksloeg.
Op slag miste ik onze dorpssuper.
,,Joukje, kassa bij alsjeblieft.’’
Eenmaal buiten, zowat uitgeput van de expeditie, bleek dat we de koffie waren vergeten.