Onze geschiedenis is doordrenkt van alcohol. Van beschaafd wijn nippen tot comazuipen, de mens is al millennia in de ban van vergist en vloeibaar spul.
Sobere mensen hè, die calvinistische Nederlanders? Toch? Maar kijk maar eens goed naar wat zeventiende-eeuwse schilderijen van bijvoorbeeld Jan Steen. Taferelen waarin zowel elegante heren (en dames!) diep in het glaasje hebben gekeken, of waar dronkenmanstaferelen uit kroegen zijn vastgelegd. Want gedronken werd er in die eeuwen, en stevig ook.
Alleen al in de stad Groningen waren er zo’n tachtig bierbrouwerijen in de zeventiende eeuw, in Leeuwarden tikte men de honderd aan. Volgens culinair historica Charlotte Kleyn dronk in 1688 de gemiddelde Amsterdammer – daar werd uitstekend gedocumenteerd dankzij de accijnsheffingen – jaarlijks gemiddeld 280 liter bier per persoon, 85,6 liter wijn en nog wat sterke drank. Per persoon, dus inclusief kinderen. En die dronken vooral bier – lichter in alcohol dan vandaag de dag, maar toch. En niet omdat, zoals de mythe gaat, het water uit grachten te vies was om te drinken, maar omdat bier – en wijn – voedzamer en lekkerder was. Ter vergelijk: we drinken nu gemiddeld zo’n 22 liter wijn en ongeveer 60 liter bier.
Kleyn schrijft dit in het voorwoord van het boek Een kleine geschiedenis van Dronkenschap van de Britse journalist Mark Forsyth. Een boek dat op vaak hilarische wijze een kroegentocht door de afgelopen tienduizend jaar schetst. Of eigenlijk nog langer.
'Het vrolijke huisgezin' van Jan Steen, de zeventiende-eeuwse schilder die bekendstaat om zijn 'liederlijke' taferelen. Beeld: Rijksmuseum
Ladderzatte vogels
De eerste primaten die uit het bos naar beneden slingerden, zouden zomaar op zoek kunnen zijn geweest naar gefermenteerd fruit, waarmee de evolutie op gang werd geholpen. Want fermenterend fruit levert alcohol op. Legio zijn de verhalen van apen die hun roes uitslapen of vogels die van de takken vallen doordat ze rottende bessen aten – en dus ladderzat waren. En als koeien teveel appels eten – in Normandië zijn veel appelboomgaarden ruim geplant in weiden – worden ze ook dronken.
Dat is een behoorlijk koddig gezicht, weten we uit ervaring. En de mens is dus niet veel anders, hoewel minder koddig dan die koe – een wandeling rond sluitingstijd langs Engelse pubs levert elke zaterdag het bewijs. Maar het is niet alleen een Engelse ziekte – een Groningse Poelestraat is rond twee uur ’s nachts bepaald geen feestje voor de nuchtere mens.
Volgens Forsyth stapten de prehistorische mens over op landbouw omdat we bier wilden en dus gerst moesten verbouwen. En dat de Mesopotamiërs 3500 jaar voor Christus het spijkerschrift ontwikkelden, had alles te maken met drank, want op de eerste kleitabletten staat in dat schrift een symbool voor kash, of bier, gebruikt als schuldbekentenissen in de onderlinge handel.
Misschien een beetje overdreven dat drank de drijfveer voor al die ontwikkelingen zou zijn, maar wel is duidelijk dat de mens en drank al heel erg lang vrienden zijn. Die vriendschap werd uitbundig gevierd in de kroegen van Ur, in het Sumerische rijk, waar bier ook een betaalmiddel was voor seks – of andersom, daar willen we van af wezen. We spreken dan over tweeduizend jaar voor Christus en niet veel later zouden ook de Egyptenaren en de oude Grieken zich overgeven aan drankgelagen en orgieën. Bij de Egyptenaren riep de priester in een oud-Egyptische hymne ‘Laat hem drinken, laat hem eten, laat hem neuken’. Met ‘hem’ werd natuurlijk de farao bedoeld.
Bacchus – bij de Grieken heet hij Dionysos – is de god van de wijn, de roes en de dronkenschap. Foto: Shutterstock
Dionysche feesten
Voor de Grieken stond het woord symposium vaak gelijk aan een drankgelag, eindigend in een komos, waarbij de gasten uiteindelijk delirisch door de straten konden rennen, schreeuwend en chaos veroorzakend. Ook bij onze hedendaagse symposia is de borrel achteraf vaak het belangrijkste, hoewel we recentelijk nog geen dronken optochten door Groningen, Leeuwarden of Assen hebben gezien.
De komos vond overigens vaak plaats tijdens de dionysische feesten, genoemd naar de god van de wijn Dionysos. Die zou later in de gedaante van Bacchus furore maken bij de Romeinen. De eerste bacchanalen waren orgastische feesten ter ere van Dionysos, een driedaags festival waaraan uitsluitend vrouwen deelnamen. Pas later zouden ze uitlopen op orgieën die we uit de tijd van de latere keizers Nero en Claudius kennen, dus inclusief mannen en veel seks. Daarbij zullen vooral de wijnkelken goed gevuld zijn.
Bier is voor barbaren
Romeinen hadden, in tegenstelling tot de Soemeriërs en Egyptenaren voor hen, geen behoefte aan gemout gerstennat, maar aan wijn. Bier vonden ze maar wat voor de barbaren, en die leefden er genoeg aan de grenzen van het Romeinse rijk. De Germaanse volkeren, en vooral de noordelijke stammen, hebben het drinkgelag tot een olympische sport verheven. Zowel in het dagelijks leven als in de mythologie werden fusten bier tot heilig verklaard.
In het Walhalla konden de stoere Vikingen na hun dood deelnemen aan drinkgelagen met goden als Odin, Thor, Loki en natuurlijk Freya, want ook de vikingvrouwen stonden hun mannetje. In het ondermaanse werd eveneens flink gezopen. Beraadslagingen over strijdplannen werden meestal onder zware invloed gevoerd, want dan was iedereen tenminste eerlijk in zijn woorden – dat dat vervolgens niet alleen met woorden, maar ook met zwaarden gebeurde was dan wel weer een nadeel.
Dronkenschap is niet alleen aan mannen voorbehouden. Foto: Shutterstock
Dat in sommige culturen een zekere staat van dronkenschap bewonderenswaardig was – ook bij het sjamanisme was het onder invloed zijn een gezegende staat – zou in latere, vooral religieuze kringen tot enig wenkbrauwgefrons leiden. Toegegeven, in de middeleeuwse kloosters werd behoorlijk wat bier gebrouwen en miswijn geschonken, en ook de Koran was aanvankelijk wel mild ten opzichte van het gebruik van alcohol – wij hebben de naam te danken aan het Arabische woord al kohl. De elites in de vroege moslimwereld dronken wel degelijk wijn (khamr), en in de gedichten van bijvoorbeeld Abu Nuwas (gestorven in 814) of het werk van de filosoof Ibn Sina (1037) wordt regelmatig een kom wijn genuttigd. Maar mateloosheid was geen deugd in zowel christendom als islam.
Maar sommige christenen waren dan wel weer iets matelozer dan anderen. In de moderne tijd lanceerde George Washington, de eerste president van de Verenigde Staten, zijn politieke carrière door gratis drank uit te delen aan kiezers en behaalde hij succes op het slagveld nadat hij de rantsoenen sterke drank voor zijn mannen verdubbelde. De Russische Revolutie brak uit omdat de tsaar in 1914 wodka verbood: aangezien de geliefde drank een staatsmonopolie was, ging de schatkist tijdens de Eerste Wereldoorlog failliet.
Hengstenbal in Amsterdam
En de Engelsen – keurig Anglicaans in naam – hebben toch een grote naam opgebouwd als dronkenlappen. Loop maar eens door Amsterdam als er weer een hengstenbal van Engelse toeristen plaatsvindt, of meng je eens tussen Engelse voetbalhooligans (wat we overigens zouden afraden). In tegenstelling tot het schuldige handwringen dat het drankleven in de meer puriteinse samenlevingen heeft begeleid, hebben de Britten doorgaans nog steeds een toegeeflijke houding tegenover bingedrinken.
Engelse voetbalfans staan erom bekend wel een beste slok te lusten. Foto: Shutterstock
Dat maakt hen, zo legt Forsyth in zijn boek uit, tot een van de ‘natte culturen’ uit de geschiedenis – in goed gezelschap van onder meer de Vikingen. Dat in tegenstelling tot de ‘droge culturen’, waarvan de licht aangeschoten inwoners op ‘continentale’ wijze drinken: urenlang nippen, maar met mate. Fransen, Italianen en dat soort lieden, lijkt Forsyth met enig leedvermaak te zeggen – want de auteur houdt zelf ook wel van een borrel, blijkt uit het voorwoord. En uit zijn zinnen die soms van lyrisch naar delirisch gaan.
Gelukkig hebben de Engelsen met Winston Churchill, de twintigste-eeuwse Engelse staatsman, een standvastig voorbeeld en hardcore drinker. Zijn consumptie lag op minstens één – maar vaak twee – fles champagne per dag, naast nog wat whisky om de dag te starten, wat rode wijn bij de lunch en diner, en een cognac of brandy na de maaltijd. Vermaard is de anekdote waarin een adellijke dame Astor hem vol afschuw aanspreekt op zijn drankgebruik. Chruchill: ‘I may be drunk, lady Astor, but in the morning I will be sober and you will still be ugly.’