Hazelnoten, walnoten, kastanjes, beukennootjes: onze bossen en boerenhoven staan vol met notenbomen die ons dieet verrijken. Maar voor de echt lekkere noten moeten we naar warmere streken. Wat we uiteraard graag doen.
We gingen een harde noot kraken. Nee, niet figuurlijk, maar letterlijk. In onze handen hadden we noten die we van de boom hadden geplukt en in de zon gedroogd. Macadamianoten om precies te zijn. De plaats: Queensland, Australië.
De techniek: de dop in een ijzeren houdgreep nemen met een waterpomptang en met een hamer met een plat uiteinde een fikse tik geven. Ook weer niet met brute kracht, anders verpulver je de noot zelf. En dat wil je niet, want het is een van de lekkerste noten ter wereld. En de duurste, omdat ze moeilijk te kraken zijn en de macadamiaboom pas na een jaar of tien noten geeft.
Bloesem van de macademiaboom.
De macadamiaboom komt oorspronkelijk voor in Australië, en de inheemse bewoners van het land gebruikten de vruchten al sinds mensenheugenis. Maar de eerste Engelse kolonisten vielen vooral voor de schoonheid: de boom bloesemt in lange slierten witte, gele of roze bloemen, afhankelijk van de soort. En van de boom – die verwant is aan de prachtige bloemgevende protea-soorten uit Zuid-Afrika – zijn er maar twee die lekkere noten geven, de Macadamia integrifolia en M. tetraphylla.
Een chique, maar kostbare borrelnoot
De eerste ‘westerling’ die de noot ontdekte was de Britse botanicus Allan Cunningham, die op zijn wereldreizen overal zaden en noten verzamelde. Later zou de Duits-Australische botanicus Ferdinand von Mueller de boom vernoemen naar een vriend van hem, de Schotse medicus John MacAdam. Pas sinds het einde van de negentiende eeuw wordt de macadamianoot op commerciële schaal geteeld. Australië is nog steeds de grootste producent, maar Zuid-Afrika zit het land op de hielen. Want de noot is veelgevraagd. Het is een chique, maar kostbare borrelnoot.
Macadamianoten.
Doordat macadamianoten moddervet zijn – zo’n 75 procent, bij een suikergehalte van 8 procent – liggen ze heerlijk op de tong. En dat vet is ook nog eens grotendeels onverzadigd, dus de gezonde vetten. De olie – het vet – dat eruit geperst kan worden, schijnt nogal te helpen bij het verlagen van de kans op hart- en vaatziekten. Je kunt de olie ook gebruiken om te bakken of om de sla mee aan te maken. De nieuwste rage: maak er veganistische romige kaas mee, met wat citroensap, gistvlokken en haverdrink en een staafmixer.
Met een glas vin santo of een zoetere sherry
Persoonlijk eten we macadamianoten liever bij het aperitief, met een glas vin santo of een zoetere sherry. Bij dat aperitief doen we ook die andere chique noot, de cashew – die je met zijn vettigheid ook in de vegan kaas kan mixen. De cashew is overigens geen echte noot, maar een steenvrucht.
De acajuboom, of kasjoeboom – ook wel om een of andere onduidelijke reden olifantsluisboom genoemd – groeit het liefst in tropische streken. Oorspronkelijk komt hij uit Brazilië, maar de Portugese kolonisten hebben hem in de zestiende eeuw naar Afrika en Azië gebracht. En daar tiert hij nu welig: Vietnam en India zijn de grootste producenten, gevolgd door Ivoorkust.
De cashew groeit op een bijzondere wijze. Aan de boom verschijnen na de bloei verschillende schijnvruchten. Dat zijn de opgezwollen vruchtstelen, die komen in de kleuren rood of geel. Die vruchtstelen worden cashewappels genoemd. Ze ruiken heerlijk zoetzuur. Ze zijn ook eetbaar, zacht van structuur en heerlijk sappig. Maar die schijnvruchten zullen we hier niet vinden, want ze verdorren enkele dagen na de pluk.
Gelukkig kwamen we ze als caju tegen op de markt van Salvador, waar ze gretig aftrek vonden bij klanten. Smakelijk, beetje vlezig. Bij de cashewteelt worden de schijnvruchten soms geperst tot sap, dat we met een beetje geluk bij de beter gesorteerde toko’s kunnnen vinden. Caju bevat tot wel vier keer zoveel vitamine C als een sinaasappel.
De echte cashewnoot groeit als een krom of niervormig aanhangsel aan de cashewappel of caju. In een houtige schil zit het zaad, de eigenlijke ‘noot’. Het oogsten ervan is een behoorlijk arbeidsintensieve klus. Het gebeurt handmatig en dat moet zorgvuldig aangepakt worden, want de schil bevat een giftige stof, cardol, die de menselijke huid behoorlijk kan irriteren. Waarbij de inheemse bevolking de olie in haar natuurgeneeskunde aanwendt voor het genezen van wratten en likdoorns. Om even de giftige kracht te verduidelijken: cardol wordt ook gebruikt voor de bestrijding van termieten.
In je salade, curry of roerbakgerechten
Gelukkig is de cashew zelf een stuk gezonder, hoewel er in zijn rauwe vorm ook nog wat giftige stoffen zitten. Die worden vrijwel allemaal geneutraliseerd bij de bewerking. Eerst wordt de cashewnoot in de dop gebrand zodat de bast makkelijker kan worden gekraakt. Dan wordt die schil gebroken, meestal machinaal maar soms ook nog handmatig, en kan de noot eruit worden gewipt. Nog een laatste vliesje er af en de noot is consumptieklaar.
En dan begint het feest. Je eet ze als snack, gezouten of ongezouten, of verwerkt ze zoals veel Aziaten in je salade, curry of roerbakgerechten. Tenslotte kun je er ook ‘melk’ of ‘boter’ van maken, door het vet eruit te persen. Je kunt er zelfs bloem van maken: in Brazilië eten ze ook het heerlijkste cashewbrood. En dan zijn die cashews ook nog eens gezond. Eiwitten, vezels, gezonde vetten, vitamines en mineralen als magnesium, fosfor, zink en ijzer. Goed voor de rode bloedlichaampjes.
Een noot – een echte dit keer – die we ook op de Braziliaanse markt tegenkwamen, is de paranoot. Niet echt een van de bekendste noten uit ons notenbakje, maar wel standaard onderdeel van onze zakjes studentenhaver. De castanho do pará, ‘kastanje uit Pará’ komt uit de gelijknamige streek in het noorden van Brazilië, tegen Suriname (waar ook een district zo heet, maar dat grenst weer niet aan dat andere Pará). Hij groeit aan een boom, de Bertholletia excelsa, die tot wel 50 meter hoog in het Amazonewoud wuift.
Paranoot met bloem.
Lekker tropisch, lekker vochtig, daar houdt de boom van. Mooie plek ook voor de groei van een speciale orchidee, die ook weer even speciale bijensoorten aantrekt voor de bestuiving van de bloemen van de bloesem van de boom. Die dan vervolgens in langer dan een jaar kunnen uitgroeien tot een vrucht die wel 2 kilo zwaar wordt en een houten bast heeft. In die vrucht zitten de noten zelf, meestal zo’n tien tot twintig stuks, gerangschikt als de partjes van een sinaasappel.
Paranoot.
Paranoten zijn niet alleen bijzonder lekker – ze hebben een milde, romige smaak die aan kokos doet denken – maar hebben ook een hoge voedingswaarde. Denk aan goede (onverzadigde) vetten, vezels, ijzer en eiwit en aan magnesium, fosfor, zink, vitamine E en vitamine B1. Bovendien verlaagt het je LDL-cholesterol, de ‘slechte’ cholesterol.
Ga nou niet meteen een heel bakje wegwerken
Aparte vermelding verdient het mineraal selenium dat een hoge hoeveelheid antioxidanten bevat, goed voor onze schildklierfunctie en het immuunsysteem. Maar pas op: één paranoot bevat al voldoende selenium voor onze dagelijkse behoefte, dus ga er nou niet meteen een heel bakje van bij het aperitief wegwerken. Vijftig stuks zorgen gegarandeerd voor vergiftiging, wij zouden een maximum van vijf stuks adviseren, hoewel de verkoper op de markt van Salvador lachend een handvol paranoten in de mond stak. Het schijnt dat de inheemse bevolking er nogal goed tegen kan.
Paranoten.
Als je toch dat aperitief met nootjes neemt, denk er dan wel aan dat de oogst van paranoten invloed heeft op het milieu en de lokale gemeenschappen. De boom wordt nauwelijks geteeld, maar de noten komen bijna uitsluitend van verzameling in de wilde bossen. De paranotenboom groeit langzaam – hij kan wel 500 jaar worden - en heeft een complexe levenscyclus, waardoor het herstel van gekapte gebieden in het Amazonewoud moeilijk kan zijn. Er zijn initiatieven om de duurzaamheid van de paranotenproductie te bevorderen en om eerlijke handelspraktijken te ondersteunen. Waarvan akte.