We zijn naarstig op zoek naar het licht, in deze druildonkere dagen. En naar troostend eten. In Noord-Europa worden licht en eten aan elkaar geknoopt met verwijzingen naar de oude Germanen, zoals de Vikingen. Waarbij onze kerstviering maar bleekjes afsteekt.
December, de donkere nachten. Bij ons in het noorden, maar in het nog verdere noorden al helemaal. Daar blijft op een gegeven moment de zon helemaal weg. Dan kunnen de Zweedse meisjes, zoals mijn nichtjes, op 13 december met Santa Lucia nog zoveel kaarsen op hun hoofd zetten, veel zal het niet uithalen.
Lichtjesfeest. Foto: Shutterstock
Maar het is wel een mooi lichtfeestje. Santa Lucia in de optocht voorop, met de kaarsen – tegenwoordig op batterijen – op het hoofd, gevolgd door meisjes (tärnor), sterrenjongens (stjärngossar) en peperkoekmannen (pepparkaksgubbar). De peperkoekmannetjes met lantaarns dragen peperkoekkostuums, met de ‘witte glazuur’ erop getekend of genaaid.
Peperkoekenmannetjes. Foto: Shutterstock
Dat van die peperkoek is wel een Scandinavisch dingetje, weten we van het bekende Zweedse woonwarenhuis, waar je bouwpakketten van peperkoek kunt krijgen. Hoewel peperkoek in heel Europa populair is – in Duitsland als Lebkuche, in Engeland als gingerbread – omdat er naast peper ook gember in zit – is de kerstmaand in het hoge noorden peperkoekenmaand. Pepperkaker, pepparkakor, brunkager, piparkökur en piparkakut, elk land in Scandinavië heeft er een naam voor.
Lussekatt. Foto: Shutterstock
Vermoedelijk is het koekje in de dertiende eeuw door Duitse immigranten geïmporteerd, maar de kruidige koek viel in het koude noorden bijzonder in de smaak. En in Zweden eten ze er tijdens Santa Lucia ook nog lussekatt bij, een s-vormig broodje met saffraan – en dus helgeel. Het geheel te omlijsten glögg (glühwein) er bij, geserveerd met amandelen en rozijnen. Niet voor de tere kindertjes uiteraard.
Glögg. Foto: Shutterstock
Brandend rad voor terugkeer van de zon
Nu is Santa Lucia een christelijk feest, en de Lucia waarover het gaat is een heilige uit Sicilië uit de derde eeuw na Chr.. Dus waarom nou precies die Zweden haar eren? Van die lichtjes past natuurlijk naadloos in de oude Noordse traditie van lange en donkere winters. De Vikingen, de noordelijke tak van de oude Germanen, lieten in de donkerste der donkere dagen een brandend rad wentelen om zo de zon te dwingen weer terug te keren – inderdaad, de zonnewende.
Dat ging gepaard met grote joelfeesten, waarbij ongetwijfeld veel gejoeld werd. ‘Joel’ – of jul, yule – is het oud-Germaanse woord voor het heidense offerfeest dat rond de zonnewende werd gevierd. Jul is tegenwoordig ook het Zweeds-Noors-Deense woord voor Kerstmis, want het christelijke feest heeft naadloos de timing van het heidense feest overgenomen.
Mag in onze tijd de kerstviering voor veel mensen om lekker en veel eten gaan, bij het ouderwetse joelfeest ging het een tandje hoger. Bij de oude Germanen was het gebruikelijk dat de boeren naar de heidense tempel voedsel meebrachten om gedurende het offerfeest zelf te eten en aan de goden te offeren. Goden als Wodan, Donar of Frîia (in de Noordse mythologie heten die Odin, Thor en Freyja), die nogal veeleisend waren.
Het vee – zelfs paarden – werd ter plekke geslacht, het offerbloed (hlaut) werd met offertakjes gesprenkeld op de beelden van de goden, de tempelmuren en de aanwezige mannen. Het everzwijn speelde een belangrijke rol in de Noordse cultus. Volgens de oude sagen offerde de Noordse koning Heiðrek zijn grootste offerzwijn, genaamd Sonargöltr, aan Freya. Het offer was bedoeld om zich het volgend jaar van een goede oogst te verzekeren. Vaak werd een brood gebakken van rogge- of tarwemeel in de vorm van een mannelijk zwijn.
Verder verlustigden de aanwezigen zich aan gebak, gortepap en haring, gedroogde vis en viskuit. Boven het vuur zal in de ketel wellicht ook al erwtensoep hebben geprutteld. Want hoewel de erwt oorspronkelijk uit Klein-Azië komt, was hij voor het begin van onze jaartelling al tot in het noorden van Europa doorgedrongen. Waarbij het peulvruchtje ook een rol speelde in de Noordse mythologie.
Erwtensoep met pannenkoeken
Volgens overlevering zond de god Thor zijn vliegende draken – die ook de schepen van de Noormannen sierden – naar aarde om de mensen te straffen. De draken hadden alle bronnen gedempt met droge erwten, zodat de watervoorraden van de mensen zouden opraken – de droge erwten zouden immers al het water opzuigen. Maar er waren ook wat onhandige draakjes, die de erwten naast de bronnen op vruchtbare grond hadden gemorst. Enfin, die erwten ontkiemden, de mensen aten ervan en Thor werd nog wat bozer. Om hem gunstig te stemmen droegen zij de erwt op aan Thor en aten zij de peulvrucht alleen op donderdag, de naamdag van Thor of Donar.
Een mooi verhaal, maar waarschijnlijk ligt de verklaring van het erwtjesgebruik vooral in een latere christelijke traditie: omdat vrijdag standaard een vastendag in de katholieke kerk was, vulde men het liefst de dag ervoor de maag met een stevige soep waarin lekkere stukken spek werden gegooid. Nog steeds kun je op donderdag in menig restaurant ärtsoppa med rimmat fläsk eten, erwtensoep met gezouten varkensvlees. En met – tamelijk verrassend voor ons – pannenkoeken.
Terug naar het joelfeest: van vrouwen ontbreken sporen in de overlevering. Misschien maar beter ook. Want nadat de mannen het geschroeide vlees naar binnen hadden gewerkt werd er overgegaan op een serieus drinkgelag. Na een eerste toast op Odin begon het å drikke jul, het joeldrinken. Daarbij moest natuurlijk op alle voorvaderen worden gedronken. Grote kannen met mede (honingwijn) en speciaal joelbier gingen rond. In Noorwegen noemden ze het bier dat voor de gasten bestemd is drövöl (‘geestenbier’), later in de christelijke tijd omgedoopt tot änglaöl, ‘engelbier’. Het zal een liederlijke bedoeling zijn geweest, bingedrinking avant la lettre. Maar deze staat van beneveling hoorde bij de Germaanse-Noordse cultus, althans in de twaalf dagen dat het joelfeest duurde. Zo kom je tenminste de donkere dagen door.
Kerstballen en magic mushrooms
Ook elders in het uiterste Noorden van Scandinavië heerste er rond die tijd behoorlijke beneveling. Bij de Samen bijvoorbeeld, die overigens niet tot de Germaanse bevolking behoren, maar een nomadisch volk waren. Het verhaal gaat dat we onze rode kerstballen te danken hebben aan de sjamanen, spirituele leiders van de oude natuurvolken van het Noorden, de Samen, maar ook van Siberische volkeren. In hun rituelen gebruikten ze de vliegenzwam – u weet wel, die rode met witte stippen – die hallucinerende effecten heeft. De paddenstoelen werden geplukt als ze jong waren – de hoed is dan nog voornamelijk rood en rond – en te drogen gehangen aan de takken van de sparren.
Vliegenzwam. Foto: Shutterstock
De sjamanen hadden namelijk gezien dat de rendieren dol waren op de paddenstoel, maar dat rechtstreekse consumptie ervan nogal heftige effecten bij de mensen hadden. Een optie – naar het schijnt veelgebruikt – was de urine van rendieren uit de sneeuw te drinken voor een lichte intoxicatie. De andere was dus het drogen, waarbij een aantal van de giftige stoffen zouden verdwijnen.
Enfin, omdat onze kerstman uit die Noordse streken komt, zou hij daar de paddenstoelen als versierselen hebben meegenomen. Opvallend is dat de Kerstman rode wangen heeft en rendier Rudolf een rode neus: zou dat van de kou zijn of van de magic mushroom? Wellicht is dat ook de reden dat de vliegenzwam als kerstversiering in veel bomen hangt. En u mag er gerust ook peperkoeken in hangen.