Sanne Meijer en Niek Huis in 't Veld op de tentoonstelling over dovencultuur in Groningen. Foto: Corné Sparidaens.
Groningen geldt als dovenhoofdstad van Nederland, maar de geschiedenis van de dovengemeenschap bleef lang onzichtbaar. De tentoonstelling ‘Wie schrijft geschiedenis?’ brengt daar verandering in.
In de expositieruimte van Museum aan de A in het Groninger Museum worden op beeldschermen in alle stilte verhalen verteld en gesprekken gevoerd in de Nederlandse Gebarentaal (NGT). Handen, armen, mimiek en houding worden gebruikt om duidelijk te maken wat iemand zegt.
Het zijn fragmenten uit de tentoonstelling Wie schrijft geschiedenis?, waarin naast andere onderwerpen de dovenhistorie van Groningen wordt belicht.
Op beeldschermen worden in stilte verhalen verteld. Foto: Corné Sparidaens.
„En het laat zien hoe groot de invloed van Groningen is op dovenonderwijs, dovencultuur en gebarentaal’’, vertelt historica Sanne Meijer (33) van Museum aan de A. „Juist dit grotendeels vergeten onderwerp laat zien hoe beperkt onze blik op geschiedenis vaak is.’’
Ze benadrukt dat het museum wil laten zien hoe belangrijk het is om (Groninger) geschiedenis vanuit meerdere perspectieven te vertellen. Samen met collega Niek Huis in ‘t Veld, die een groot deel van de expositie heeft gemaakt, gaat ze de zaal rond.
Een van die perspectieven is het perspectief van de Groningse dovengemeenschap. Dat komt in de tentoonstelling uitgebreid aan bod, in samenwerking met de Kentalis Guyotschool en Historie Doven Groningen.
Dovencultuur ontwikkelt zich anders
„Zonder Groningen had de Nederlandse dovengeschiedenis er heel anders uitgezien”, zegt historisch pedagoog en senior onderzoeker bij Kentalis, Corrie Tijsseling (59).
Corrie Tijsseling. Foto: DVHN
Tijsseling gaf onlangs, op uitnodiging van het museum en de Groninger Archieven, een lezing over de vraag Wie vertelt het verhaal?, waarin ze liet zien hoe de cultuur van dove mensen vaak buiten beeld bleef.
Ze benadrukt dat dovencultuur zich anders ontwikkelt dan andere culturen. „Omdat 90 tot 95 procent van de dove kinderen horende ouders heeft. Daardoor moet elke generatie de taal en cultuur opnieuw ontwikkelen.’’
Documentatie is volgens haar daarom essentieel en het Nederlands Dovenarchief, waar zij projectleider van is, draagt daaraan bij.
Eerste dovenschool van Nederland
De basis voor Groningen als dovenhoofdstad werd gelegd in 1790, toen de Waalse dominee Henri Daniel Guyot er de eerste dovenschool van Nederland oprichtte. Zijn initiatief groeide uit tot een nationaal centrum voor taalontwikkeling, onderwijs en gemeenschap. „Veel mensen weten niet hoe groot die invloed is geweest”, zegt Meijer. „Het werd tijd dit verhaal te belichten.’’
Henri Daniel Guyot. Foto: Corné Sparidaens.
Groningen werd een plek waar gebarentaal zich vrij kon ontwikkelen en van waaruit onderwijsmethoden, gebaren en cultuur zich verspreidden naar andere doveninstituten en regionale gemeenschappen.
Tijsseling spreekt niet alleen als onderzoeker, maar ook vanuit persoonlijke ervaring. Ze groeide op binnen de dovengemeenschap. Ze benadrukt hoe belangrijk een gemeenschap is waarin taal en cultuur vanzelfsprekend zijn, zoals op de Guyotschool.
Die stond bekend als relatief liberaal. Waar later andere scholen gebaren verboden, kregen leerlingen in Groningen meer ruimte. „Dat versterkte de gemeenschap en bood leerlingen structuur, zorg en sociale veiligheid.’’
Corrie Tijsseling tijdens de lezing in Groninger Archieven. Foto: DVHN
In 1880 besloot een internationaal onderwijscongres in Milaan dat gebarentaal uit het onderwijs moest verdwijnen. Nederland voerde al eerder de spraakmethode in, waardoor dove leerlingen tot 1980 vrijwel uitsluitend gesproken onderwijs kregen. Toch ontwikkelden kinderen buiten het klaslokaal stiekem hun eigen gebaren.
Geen dialecten, wel regionale varianten
In Groningen bleven bepaalde gebaren, zoals vingerspellen en cijfergebaren, langer in gebruik. De Nederlandse Gebarentaal kent geen officiële dialecten, maar wel regionale varianten. Die ontstonden doordat dove kinderen in internaten samen opgroeiden. Ook ontstonden varianten die verwijzen naar lokale cultuur.
Het Nederlands Gebarencentrum registreert deze varianten in een online woordenboek. Wie het gebaar vriend opzoekt, vindt naast het standaardgebaar twaalf regionale varianten, waaronder die uit Groningen. „Wie goed kijkt, ziet dat een gebaar hier soms net anders beweegt”, zegt Tijsseling.
Vanaf de jaren zeventig ontstond de emancipatiebeweging van de dovengemeenschap. Zij streden voor gelijke rechten, toegankelijkheid en erkenning van hun taal. Onder druk van dovenorganisaties keerde NGT in 1980 terug in het onderwijs. Tijdens de coronaperiode werd NGT zichtbaarder dan ooit, dankzij de tolken die elke persconferentie vertaalden.
Stil, maar krachtig dovenapplaus
Tijsseling: „De officiële erkenning van de Nederlandse Gebarentaal in 2021 voelde voor veel dove mensen als een historische rechtzetting. Groningen speelde steeds een opvallende rol en organiseerde in 1993 en 2005 de landelijke Werelddovendag, waar duizenden mensen op af kwamen.'’
Na afloop van haar lezing gaat er een zee van zwaaiende handen de lucht in: het stille, maar krachtige dovenapplaus.
De eerste taal
Nederland telt naar schatting 1,3 tot 1,5 miljoen doven en slechthorenden, afhankelijk van de definitie. Een kleinere groep van ongeveer 12.000 mensen is doof vanaf de geboorte of vanaf jonge leeftijd. Voor hen is NGT vaak de natuurlijke eerste taal: een taal die je niet hoort, maar ziet, en die wordt gesproken met handen, gezicht en lichaam. De NGT heeft, net als gesproken taal, vaste basiselementen: handvorm, beweging, locatie en mimiek.
De tentoonstelling is tot en met 6 april te zien in het Groninger Museum. Museum aan de A is tijdelijk gesloten vanwege renovatie.