Wisten Nederlanders wat Joden in vernietigingskamp Auschwitz te wachten stond? „Zelfs Joden in het kamp wilden in het begin niet geloven wat er met hun vrouw en kinderen was gebeurd”, vertelt docent moderne geschiedenis Bart van der Boom.
Het Russische Rode Leger bevrijdde op 27 januari 1945 het concentratiekamp-complex Auschwitz-Birkenau in Polen. In Auschwitz en de sub-kampen zijn meer dan een miljoen mensen vermoord, onder wie ongeveer een miljoen Joden, 70.000 Polen, 21.000 Roma en Sinti, bijna 15.000 Russische krijgsgevangenen en nog duizenden verzetsstrijders en politieke gevangenen uit verschillende landen. Wat wist de Nederlandse burger tijdens de oorlogsjaren over het lot van de duizenden landgenoten die naar de kampen in het oosten werden gestuurd?
Tegenstrijdige informatie
,,Die informatie was tegenstrijdig’’, vertelt Van der Boom die in 2012 de Libris Geschiedenis Prijs won met zijn boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. „De eerste conclusie die we kunnen trekken is dat men niet kon weten wat er met de gedeporteerden gebeurde. Die mensen verdwenen in een zwart gat. Ja, men vermoedde natuurlijk dat die mensen heel waarschijnlijk een misdadige behandeling kregen, maar de beschikbare informatie was erg schaars en ook tegenstrijdig. Mensen hoorden soms over Joden die er in fabrieken werkten en gewoon betaald kregen.
En ja, ze hoorden ook dat ze werden vergast. Niemand wist wat daarvan klopte. Dat blijkt ook uit dagboeken uit die tijd. Niemand die het verhaal van de Duitsers gelooft dat Joden daar in speciale werkkampen gewoon hun eigen vak uitoefenen. Maar de werkelijkheid dat de meesten bij aankomst meteen werden vermoord is het andere uiterste. Dat gelooft niemand.
Er zijn wel geruchten over doodschieten en gaskamers, maar men denkt dat het om uitzonderingen, zoals gevangenen en ernstig zieken, gaat. Zelfs als je nu Auschwitz bezoekt, is het nauwelijks voor te stellen. Je stuit steeds op een soort drempel; het blijft nauwelijks voorstelbaar dat de mens zo diep heeft kunnen zinken.”
Waarom haalde Joodse huisarts zijn zoontje naar Westerbork?
Toch sprak koningin Wilhelmina in een toespraak in oktober 1942 voor Radio Oranje over ‘het stelselmatig uitroeien van onze Joodse landgenoten’. Verzetskrant Het Parool schrijft in 1943 over de gaskamers in concentratiekampen. „Het lijkt inderdaad alsof er veel aanwijzingen zijn dat men wist wat er in de kampen gebeurde, maar er zijn ook veel aanwijzingen die op het tegendeel wijzen.”
Als voorbeeld noemt hij de Joodse huisarts Elie Aron Cohen (1909 – 1993) uit Aduard. Hij belandde in december 1942 in Kamp Westerbork, het doorgangskamp naar de concentratiekampen in het oosten. Hij kreeg een functie als transportarts, waardoor hij voorlopig van deportatie was vrijgesteld. „Zijn zoontje Ronnie zat ondergedoken, maar hij laat hem naar het kamp komen, omdat hij denkt dat hij hem daar beter kan beschermen.”
Cohen werd op 14 september 1943 alsnog met zijn vrouw, kind en schoonouders naar Auschwitz gestuurd. Hij overleefde als enige het kamp. „Hij vertelde na de oorlog dat hij zijn zoontje natuurlijk niet naar Westerbork had gehaald als hij had geweten wat er in Auschwitz gebeurde.”
‘Onwetendheid speelde grote rol’
Van der Boom, docent aan Universiteit Leiden, verwijst naar het bekende dagboek van Etty Hillesum (1914-1943). „Wanneer de deportaties beginnen, schrijft ze dat de Duitsers uit zijn op ‘onze uitroeiing en vernietiging’. Dan lijkt het alsof bekend is wat er aan de hand is. Maar vervolgens schrijft ze over de boeken die ze meeneemt, dat ze voor het transport nog naar de tandarts moet en dat ze hoopt dat haar blaasontsteking voor die tijd is genezen. Ze geeft geen concrete informatie over wat er in kampen als Auschwitz en Sobibor gebeurt.”
Een woord als ‘uitroeiing’ moet volgens hem dan ook anders worden uitgelegd. „Men dacht dat het om een soort strategie ging die erop was gericht dat het Joodse volk op den duur zou verdwijnen. Door ze langzaam te laten verkommeren in getto’s bijvoorbeeld. Velen dachten dat de oorlog op tijd voorbij zou zijn. Daarom was het voor Joden vaak ook een groot dilemma of ze moesten onderduiken. Ze wisten: als we gaan dan wordt het erg, maar er is een kans dat we het overleven, omdat de oorlog straks is afgelopen. Onderduiken was ook een optie, maar als je dan werd gepakt stuurden ze je naar Mauthausen en dan was de kans dat je het overleefde vele malen kleiner. Die onwetendheid speelde een grote rol.”