Historicus Stefan van der Poel bij het geboortehuis van Elie Cohen in de Folkingestraat. Foto: Jan Willem van Vliet
Hoe overleef je het overleven van Auschwitz? Huisarts Elie Aron Cohen (1909 – 1993) uit Aduard zocht lang naar het antwoord. Historicus Stefan van der Poel schreef zijn biografie Tussen Aduard en Auschwitz.
Elie Cohen was na de Tweede Wereldoorlog alles verloren. Zijn vrouw, zoontje, ouders en schoonouders waren vergast in Auschwitz. Zijn huisartsenpraktijk in Aduard was hij kwijt. En hij was zichzelf verloren. Ja, hij had de kampen overleefd. Maar een deel van hem was voor altijd kapot.
Cohen haalde als transportarts families van deportatielijst
Als transportarts in Westerbork haalde hij soms vrienden en familieleden van de deportatielijst, maar daardoor moesten anderen in hun plaats naar de vernietigingskampen worden gestuurd. „Ook voelde hij zich schuldig omdat hij zijn gezin en familie naar Westerbork haalde”, vertelt biograaf Stefan van der Poel, universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Hij dacht dat ze er veiliger zouden zijn, omdat hij ze vanwege zijn prominente positie in bescherming kon nemen.”
Zo voorkwam hij mogelijk dat de hele barak in de gaskamers belandde. „Maar wat doet dat met een mens en zijn geweten? Wat heb je dan nog om te blijven leven?”
Cohen startte na de oorlog een uitgebreide briefwisseling met zijn schoonzus Flory van der Woude die voor de oorlog met haar gezin vanuit Groningen naar de Verenigde Staten was gevlucht en in New York woonde.
Van der Poel beschikte voor zijn onderzoek onder meer over die complete correspondentie tussen Cohen en deze schoonzus. Tussen juni 1945 en december 1947 schreef hij haar wekelijks een brief vanuit Groningen, soms wel twee. „Elie vertelde hierin over zijn kampervaringen, hoe hij de toekomst zag, maar ook hoe hij de toekomst niet zag. Dan leer je zo’n man heel goed kennen, maar ook het Groningen van vlak na de oorlog. Cohen beschreef hoe hij de stad aantreft. Er was gebrek aan van alles, vooral aan eten en kleding. SS’ers hadden zijn bril kapotgemaakt. Zijn schoonzus stuurde hem een nieuwe bril, maar ook nieuwe schoenen.”
Cohen vermeed zijn vader die in kelnerspak rondliep
Cohen publiceerde in 1952 een proefschrift over zijn ervaringen in de concentratiekampen: Het Duitse concentratiekamp. „Wat hem mede zo uniek maakte, is dat hij al heel snel na de oorlog over zijn kampverleden begon te schrijven. Ook liet hij zich uitgebreid door het RIOD, de voorganger van het NIOD [Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, red.] interviewen. In zijn proefschrift ging hij op zoek naar het antwoord op vragen als hoe slachtoffers, maar ook daders, zich in het kamp hebben gedragen en waarom ze zich zo gedroegen.”
Elie Aron Cohen werd geboren in de Folkingestraat, die in de toenmalige Joodse buurt van Groningen lag. „Het was een arm gezin. Elie kon goed leren, maar het was allesbehalve vanzelfsprekend dat hij ging studeren. Dankzij financiële steun van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten en de Gemeentelijke HBS was het toch mogelijk om naar de universiteit te gaan. Hij koos voor geneeskunde.”
Van der Poel vermoedt dat bij Cohen vanwege zijn ‘eenvoudige’ komaf al vroeg een minderwaardigheidscomplex de kop opstak. „Hij schreef hoe hij eens als student met een vriend over de Vismarkt liep en in de verte zijn vader in zijn witte kelnerspak zag lopen. Cohen ging snel naar de andere kant van de straat om een ontmoeting te vermijden.”
Cohen trouwde na zijn studie met Ali van der Woude en begon een huisartsenpraktijk in Aduard. Ze kregen een zoontje dat ze Ronnie noemden. Er volgden vijf gelukkige jaren. ,,Achteraf gezien zijn mooiste jaren.’’
‘Een Jood blijft hier niet langer dan drie weken in leven’
Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 kwam hier verandering in. Krap een jaar later kreeg hij een brief waarin hij moest aangeven of hij Ariër was. In mei van hetzelfde jaar werd hij gedwongen zijn praktijk te sluiten. Cohen ontving via een kennis van zijn schoonvader een aanbod om tegen betaling van een fors bedrag met zijn gezin op een schip via Delfzijl naar Zweden te vluchten. Het bleek een val. Op het hoofdstation in Groningen werden ze gearresteerd.
Elie Aron Cohen schreef talloze boeken waarin hij zijn kampervaringen verwerkte. Foto: Archief Naomi Cohen
Het gezin belandde in het Scholtenhuis, het hoofdkwartier van de Duitse Sicherheitsdienst aan de Grote Markt. Elie verkeerde in shock. Hij schreef: ‘Ik stapte uit die auto en zakte door mijn knieën. We moesten in het Scholtenhuis een trap oplopen en dat heb ik op handen en voeten moeten doen. Ik was zo volkomen van de kaart. Ik dacht: het is dus tóch zo, dit is het einde.’
Hij werd naar Kamp Amersfoort gebracht, waar hij bij aankomst te horen kreeg dat ‘een Jood hier niet langer dan drie weken in leven blijft.’ De huisarts werd bij een ‘lijkencommando’ geplaatst waarbij hij lichamen in een gat moest leggen.
Cohen haalde familie naar Westerbork
In december 1942 kwam hij in Westerbork terecht, het doorgangskamp naar de vernietigingskampen in het oosten. „Hij kreeg een functie als transportarts en was daardoor de eerste tijd vrijgesteld van deportatie. Hier werd hij ook met zijn vrouw herenigd. Hun zoontje Ronnie was nog bij zijn schoonouders. Cohen verkeerde in de positie dat hij mensen uit een transport kon halen.”
De mensen die later in het kamp kwamen, vormden ‘transportmateriaal’ voor de treinen die elke dinsdagochtend vertrokken. „Zo leefden ze van week naar week. Hij dacht dat zijn positie zo sterk was dat hij zijn zoontje Ronnie en ook zijn zus en schoonouders naar het kamp liet komen. Hij zou ze wel beschermen.”
Maar hier kwam een einde aan na een conflict met de Duits-Joodse chef-arts. „Die had ontdekt dat Cohen ziektes verzon om mensen niet op transport te zetten. Ja, dat klinkt wellicht wat vreemd, dat twee Joden hier ruzie over maakten. Maar vergeet niet dat Westerbork al voor de oorlog een kamp was voor veelal Duits-Joodse vluchtelingen. Die voelden zich vaak slecht behandeld door de Nederlandse Joden, omdat ze in een kamp waren gezet. Nu waren de rollen omgedraaid.”
Op 14 september 1943 vertrok Cohen met zijn gezin en schoonouders alsnog naar Auschwitz. In de trein zaten in totaal 1002 personen. Na een reis van twee dagen en twee nachten stopte de trein in Auschwitz. Cohen schreef:
‘Toen we in Auschwitz aankwamen, werden mannen en vrouwen direct gescheiden. (…) Zoo stond ik dus ook bij de gasafdeeling. Toen werd plotseling geroepen ‘Ärzte antreten’. We waren met ons vieren en werden bij de niet-gasafdeeling geplaatst. Je ziet: je leven hing louter van een toevalletje af.’
‘Ik dacht, nou ja, we zien mekaar straks terug’
Van der Poel: „Van de Nederlandse Joden overleefde 78 procent het niet. Van de Joodse artsen wist 60 procent het wél te overleven. Arts was het beroep voor het kamp, zo liet Cohen na de oorlog cynisch weten. De Duitsers waren heel erg bang dat er in de kampen allerlei besmettelijke ziektes zouden uitbreken. Ze hadden dus artsen nodig om de boel rein te houden.”
Cohen zag hoe Ali, Ronnie en zijn schoonouders in vrachtwagens stapten. ‘En we wuifden naar mekaar, en we deden helemaal niet verontrust, en helemaal niet paniekerig. Of: dit is een afscheid voor altijd. Helemáál niet; je wuifde. Ik dacht, nou ja, we zien mekaar straks terug.’
Een Nederlandse kampgevangene stapte even later op hem af om hem te feliciteren dat hij nog in leven was. „De rest van jullie zijn allemaal door de pijp”, zei hij.
Cohen werd aan het werk gezet in een deel van het kamp voor psychiatrische patiënten. Een van de patiënten zorgde voor overlast. De SS dreigde de hele barak, die honderden gevangenen telde, naar de gaskamer te sturen als het niet rustig bleef. Cohen besloot na overleg met een andere arts de patiënt met een dosis insuline om het leven te brengen. Niemand zei er iets van, dit hoorde bij de ‘kampmentaliteit’. Cohen: ‘Om te overleven moest je zo min mogelijk gevaar zien te lopen. Je mocht in een concentratiekamp alles doen als het maar niemand opviel. We leefden in het rijk van de dood.’
Cohen werd na een poos in een ander deel van het kamp aan het werk gezet, waarbij hij onder meer moest beoordelen of een zieke op korte termijn in staat was om te werken. De huisarts beschreef hoe het doodstil werd in de ziekenbarak als de altijd beminnelijke en vriendelijk glimlachende SS-arts Fritz Klein binnenkwam.
De dodenmarsen van Auschwitz
‘Terwijl Lagerarzt Klein zich op een vriendelijke manier met mij onderhield, kwam de ene patiënt na de andere voor hem staan; nadat ik hem de diagnose had meegedeeld en hij mij soms een vraag stelde, besliste hij met dezelfde vriendelijkheid over het lot van de voor hem staande Joodse man: gaf hij mij de kaart terug dan mocht de patiënt voorlopig blijven leven, veel vaker echter gaf hij de kaart aan de hem begeleidende SS-er en dit betekende dan de gaskamer. Zo zag ik vele honderden Joodse mannen in de zwaar bewaakte legerauto’s stappen, de gasdood tegemoet.’
Het Rode Leger bevrijdde Auschwitz op 27 januari 1945, maar Cohen was al niet meer in het kamp. Een week eerder verliet hij met duizenden anderen het kamp, een dodenmars die via Mauthausen en Melk in Ebensee eindigde.
Cohen vertelde in een interview met Nieuwsblad van het Noorden op 6 mei 1992 dat de gevangenen aanvankelijk opgewekt Auschwitz verlieten. ‘Ze gingen ’niet via de schoorsteen’ maar lopend uit Auschwitz en ze hadden het gevoel dat ze de vrijheid tegemoet gingen. Die stemming duurde maar even. Overal waar wij langsliepen, zagen wij de sporen van de transporten die ons voor waren gegaan. Met angst keken we naar de lijken die langs de weg lagen, niet toegedekt, met ingeslagen schedels of met half weggeschoten schedeldaken (...) Men moet de onverschilligheid, het gemak, de achteloosheid waarmee ze iemand vroegen ’Kannst du nicht weiter? gezien hebben’. Het slachtoffer zei dan niets en bukte zijn hoofd voor de genadeslag.’
‘Hiërarchie van leed’
De gevangenen werden in Ebensee als dwangarbeiders ingezet. Er volgden vier maanden van uitputting, honger, kou en mishandeling. Dagelijks stierven er 350 gevangenen aan de ontberingen. Cohen overleefde. Hij woog 35 kilo toen de Amerikanen op 6 mei 1945 Ebensee bezetten. Via allerlei omwegen reisde hij terug naar Groningen. Hij had niets meer, behalve zijn kleren en het concentratiekampnummer dat op zijn linker onderarm is getatoeëerd: 150634.
Cohen voelde zich in Groningen en Aduard, waar de geesten van zijn familie ronddwaalden, niet thuis. „Hier lagen te veel herinneringen. Hij wist precies wie in de Folkingestraat op welk adres had gewoond. Hij wilde dus weg en door toeval kwam hij in Arnhem terecht waar hij als huisarts ging werken. Hij hertrouwde, nu met Margot Herrmann, een Jodin die tijdens de oorlog met haar familie in Zwitserland woonde. Dat was voor hem een andere wereld, dan had je in zijn ogen echt niks meegemaakt. Dat zie je vaker bij hem terug: dat denken in hiërarchie van leed. Hij vond dat hij zo’n beetje de enige was die met recht iets over de kampen mocht zeggen. Hij kon heel fel reageren wanneer anderen die in een ander kamp hadden gezeten daar iets over zeiden. ‘Zat je in Buchenwald? Hoe kun je dan meepraten over iets wat wij in Auschwitz hebben meegemaakt’?”
Kinderen van Cohen groeiden op met Auschwitz
Van der Poel schudt zijn hoofd: „Cohen wilde gezien en gehoord worden. Hij zocht voortdurend erkenning en vervreemdde zich op die manier van kennissen en vrienden. Als biograaf wil je dan weten: waar komt dit vandaan? En ik denk dat hier toch het minderwaardigheidscomplex om de hoek komt kijken. Andries Kaas, een psychiater die Buchenwald overleefde en een goede vriend van Cohen was, schreef eens aan hem: ‘Elie, weet je wat het kamp met mensen doet? Dat versterkt de gevoeligheden die je voor de oorlog al had.’ Dat hoorde hij natuurlijk niet graag.”
Van der Poel sprak voor de biografie ook uitgebreid met Naomi en Dan, de kinderen van Cohen. „Ik had aanvankelijk een nogal idealistisch beeld van hun vader. Iemand uit een arm milieu die arts wordt, Auschwitz overleeft en daarna weer als arts gaat werken. Maar zij vertelden onafhankelijk van elkaar dat hun vader ook een andere kant had. Het leven in het gezin Cohen draaide om pa. Ze groeiden op met Auschwitz. Het concentratiekamp was dagelijkse kost.”
Maar over Aduard werd gezwegen. „Dat was voor hen een andere planeet, een andere en onbereikbare tijd. Dan zei: ‘Over Auschwitz spraken we dagelijks, over Aduard nooit.’”
De presentatie van Tussen Aduard en Auschwitz is op 26 april om 15 uur in de synagoge in Groningen. Op dinsdag 7 mei is er in Sociëteit de Harmonie (Kreupelstraat 10) om 19.30 uur een interview met Van der Poel door Frank Vermeer, georganiseerd door boekhandel Godert Walter.
Hartaanval door koninklijk huwelijk
Elie Cohen vestigde zich na de oorlog als huisarts in Arnhem. Hij verzette zich fel tegen het huwelijk van prinses Beatrix met prins Claus in 1966. Door alle emoties kreeg hij een hartaanval. Hij slaagde er vanwege zijn oorlogservaringen niet in de praktijk voort te zetten. Hij werkte vervolgens als schoolarts. Daarnaast deed hij veel onderzoek, gaf lezingen en schreef boeken en artikelen. Cohen introduceerde in 1968 in Nederland het begrip postconcentratiekampsyndroom. Hij is een van de eersten die de blijvende gevolgen van de Jodenvervolging in Nederland onder de publieke aandacht brengt.
Elie Aron Cohenbrug
De nieuwe brug over het Van Starkenborghkanaal bij Aduard draagt sinds 2022 de naam van Elie Aron Cohen. Initiatiefnemers zijn Kor Holtrop en Marijke Lap. Cohen heeft Laps moeder nog begeleid tijdens haar bevalling in 1941. Ook Holtrop werd door Cohen ter wereld gebracht. Hij heeft altijd de factuur met de handgeschreven boodschap bewaard die Cohen vervolgens naar zijn ouders stuurde. ‘Indien u moeilijkheden met de betaling heeft, komt u dan eens praten?’ Hij wist dat de familie het niet breed had. In de jaren 80 werd in het dorp een monument met de namen van Cohens vrouw en zoontje onthuld.