De eerste nachten op het eiland zijn er geluiden. Als ik om tweeën wakker word is er getrippel op het dak, geloop, soms een bonk | column Herman Sandman
De eerste nachten op het eiland zijn er geluiden. Als ik zoals altijd om tweeën wakker word is er getrippel op het dak, geloop, soms een bonk. In de halfslaap klinkt het of vogels of konijnen ik weet niet wat aan het doen zijn.
Ook dak en wanden van het strandchalet maken geluid. Ze kraken door de wind en bij het omdraaien zucht het matras met mij mee. Als ik vroeg opsta om een stukje te schrijven brobbelt de centrale verwarming. Het water ratelt door de leidingen.
Ik loop op blote voeten over de koude laminaatvloer, die ook een beetje kraakt. De waterkoker is een aanzwellende storm. De angst dat vrouw en zoon er wakker van worden blijkt ongegrond.
Zij kunnen dat, slapen en uitslapen.
Als de twee naar Nes en Buren gaan, ‘gewoon even kijken’, maak ik een wandeling. Het pad slingert en kronkelt door glooiende duinen, over zacht zand en langs hard gras en weerbarstige struiken.
Mijn enige gezelschap is de wind. Hij duwt en trekt, raast door mijn haar en maakt dat de stilte geen stilte is.
Op het strand duwt de wind mij en ik ben precies waar ik wil zijn, met om mij heen alleen zand, zee, zon en wind.
De wandeling leidt naar de vuurtoren en die beklim ik, 236 treden, naar 55,3 meter hoog en op de omgang waait het nog harder en na een paar rondjes ga ik naar beneden, loop terug naar ons chalet, schenk een Nobeltje in en ga op de ook al krakende veranda zitten wachten op vrouw en zoon.
Zij zijn vlak na mij terug, hebben mosselen mee en kibbeling en friet en die nacht word ik niet meer om twee uur wakker en hoor geen geluiden meer.