Jacob Luitjens wacht op deze foto uit begin jaren negentig op het moment dat de auto van de parketpolitie het Huis van Bewaring kan binnenrijden. Foto: Archief DVHN/Wladimir van der Burgh
Journalist Frank von Hebel van Dagblad van het Noorden blikt terug op het bijzondere interview met Jacob Luitjens (102), die na de oorlog de bijnaam De Schrik van Roden kreeg. Woensdag overleed hij op 103-jarige leeftijd.
‘Hé, ik heb volgens mij een mooi verhaal voor jou.’ Mijn hoofdredacteur Evert van Dijk boog zich naar voren. ‘Ken je die podcast over Jacob Luitjens?’
Ons team van briljante geesten had zojuist de online-pubquiz van de redactie glansrijk verloren. Ook op deze vraag moest ik het antwoord schuldig blijven. Nee, die podcast kende ik niet. Maar ho, wacht eens… Jacob Luitjens? Dat was toch die…?
‘De Schrik van Roden’, lichtte de hoofdredacteur behulpzaam toe. O ja, er ging een belletje rinkelen, ook al was het heel zachtjes. Wat bleek: -journalist Maarten van Gestel was na een tip een speurtocht begonnen naar Jacob Luitjens, die met zijn 102 jaar een van de oudste nog levende NSB’ers van het land is. Het resultaat: de zevendelige podcast .
Ik bezorgde de krant bij de ‘martelvilla’
Ai, wat een benijdenswaardig mooi project van deze collega. Of ik daar geen verhaal over wilde maken, zo vroeg de hoofdredacteur. Het zou toch mooi zijn om Luitjens te spreken te krijgen? Hij kent mijn belangstelling voor geschiedenis. Ik schrijf er graag en vaak over, vooral over de Tweede Wereldoorlog, hetgeen mijn directe chef inspireerde mijn persoontje ook wel met ‘onze oorlogscorrespondent’ aan te duiden.
En zo begon mijn zoektocht. Eerst maar eens die podcast beluisteren. Heremejee, wat een knap staaltje werk van die Van Gestel. Maar eh… die stem. Nou niet echt James Earl Jones. Het was even wennen. Ik leerde een hoop, ook omdat ik in ons eigen archief dook. Over Luitjens’ tijd bij de NSB en de Landwacht. Over zijn vlucht naar Paraguay en Canada. Hoe hij dertig jaar lang als labinstructeur op de universiteit in Vancouver met zijn gezin een rustig bestaan leidde. Over zijn uitzetting naar Nederland en dat hij tot op de dag van vandaag stateloos is. Er kwam ook een slachtoffer aan het woord dat nog via Luitjens aan de Bloedgroep Norg was overgeleverd. Hij werd in het hoofdkwartier − de ‘martelvilla’ aan de Langeloërweg in Norg – aan de badkuipmethode onderworpen.
Weer rinkelde er een belletje. Nu wat harder. Ik kende die villa. Daar had ik als krantenjongen nog het bezorgd. Ook toen werd er al over dat huis gefluisterd, iets met martelwerktuigen, maar hoe en wat bleef destijds duister. Ik kreeg van de eigenaresse, een vriendelijke oude vrouw, elk jaar iets extra’s toegestopt, omdat ik de krant op haar verzoek niet in de brievenbus vooraan de weg stopte, maar rechtstreeks bij haar thuis afleverde.
Dus daar werden…? Ja dus. Daar werden onderduikers en verzetsstrijders gemarteld.
Van Gestel slaagde erin Luitjens te vinden en kreeg hem te spreken. Maar over zijn woonplaats werd met geen woord gerept, behalve dan dat hij in een Fries dorpje woonde. Bijzonder discreet en attent van de collega. En hinderlijk. Ook toen ik hem interviewde over het succes van zijn podcast, repte hij met geen woord over Luitjens’ adres. Ja, dat snapte ik dan ook wel weer.
Hoe vind je een man die niet gevonden wil worden?
Oké, hoe vind je een man die niet in de telefoongids staat en die waarschijnlijk niet staat te trappelen om journalisten te woord te staan? Buitengewoon speurderstalent? Zeker. Een knap staaltje doorzettingsvermogen van een geharde nieuwsjager? Ik zal het niet ontkennen. Puur mazzel? Nou, eigenlijk vooral dat.
Dat zit zo. Het dorp was rap gevonden (sorry Maarten, je podcast bevatte toch enkele aanwijzingen). Vervolgens sprak ik een inwoner die vermoedde in welke straat Luitjens woonde. De straat was ontmoedigend lang. Op goed geluk liet ik wat veelvoorkomende namen op de online-telefoongids (Jansen, De Vries, De Boer, et cetera) los. Wellicht woonde er eentje in die straat? Bingo. Een mevrouw stelde zich voor als de mantelzorger van de heer Luitjens. Ze hoorde mijn verzoek geduldig aan. Een interview? Ze achtte de kans bijzonder klein. Mijnheer Luitjens wilde vooral rust. Maar ze zou mijn verzoek bij hem neerleggen en mij terugbellen.
En dat deed ze. Ja, de heer Luitjens wilde best met mij praten. Dus enkele dagen later belde ik aan in de rustige straat waar Jacob Luitjens woont. Zijn mantelzorger deed open. Het was warm in huis en het rook er vaagjes naar verse koffie. En daar zat hij, de man over wie ik zoveel had gehoord en gelezen. De Schrik van Roden bleek een vriendelijk ogende oude heer, keurig gekleed, die ondanks zijn hoge ouderdom − met moeite − overeind kwam om bij wijze van groet een elleboogstoot te geven. Ik keek om me heen. Hoe woonde een oud-NSB’er en landwachter, die jarenlang was opgejaagd door justitie? De kamer was keurig opgeruimd. Ik zag foto’s en kaarten van klein- en achterkleinkinderen. Veel boeken, vooral over het geloof dat hij in Paraguay heeft gevonden. Eigenlijk heel normaal dus. Tja, wat had ik ook anders verwacht? en een buste van Hitler?
Daar zaten we dan: de NSB’er en ik, de kleinzoon van een verzetsstrijder. Het gesprek begon. Nou ja, het roepen eigenlijk. Want Luitjens bleek ondanks zijn gehoorapparaat behoorlijk hardhorend. Maar – met hulp van zijn mantelzorger – verliep het gesprek toch nog verrassend soepel. Hij praatte veel en graag, zijn woorden leken met zorg gekozen. Hij toonde zich verrassend open. Toch kon ik me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat hij niet alles wilde vertellen. Was bijvoorbeeld het communisme nu echt de enige reden geweest om voor de NSB te kiezen? Wist hij echt niet wat er in de concentratiekampen gebeurde?
Tja. Maar ik wilde ook niet een bijna 103-jarige aan de Zaanse verhoormethode onderwerpen. Dus ik stelde mijn vragen. Nam hij afstand van het nationaalsocialisme? Wist hij van de Jodenvervolging? Hij antwoordde. Het gesprek duurde bijna anderhalf uur. Hij bleef praten, maar het werd moeizamer. Het verleden waar hij zo graag een streep onder wil zetten, vlamde op. Zijn oude lichaam moest rusten.
Was ik niet een beetje te begripvol?
Ik nam afscheid. Hij knikte weer vriendelijk. Ik reed terug naar Groningen en ik kauwde het gesprek in mijn gedachten nog eens na. Wie had ik nu eigenlijk gesproken? Wie was Jacob Luitjens? De Schrik van Roden? Een NSB’er? Een familieman die God had gevonden? Ik had een oude man gezien die zijn laatste krachten had aangesproken om spijt te tonen en om vergiffenis te vragen. Iemand die in extreme omstandigheden verkeerde keuzes had gemaakt. Wat zou ik hebben gedaan? Een onmogelijke vraag. Of was ik niet een beetje te begripvol? Ik ben nooit door Luitjens toedoen in een kamp beland of door landwachters van de Bloedgroep Norg in een badkuip met ijskoud water ondergedompeld.
En toch, ook nu zie ik voor me hoe hij op de bank zit onder het schilderij van de boerderij van zijn grootouders. Een man zonder paspoort wiens vrouw en kinderen in het buitenland hun leven leven en die in het gesprek aangaf dat hij voor zijn 103de verjaardag eigenlijk maar een wens heeft: naar huis gaan. Hij doelde op God.