Burgemeester Cora-Yfke Sikkema van Oldambt deelt het onderzoeksrapport uit in het Winschoter gemeentehuis. Foto: Huisman Media Foto: Huisman Media
Gemeenten in een deel van de Groninger Ommelanden toonden na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks empathie jegens Joden of hun nabestaanden.
En dan met name waar het ging om het teruggeven van verworven Joods onroerend goed.
Huizen en landerijen
Dat blijkt uit het onderzoeksrapport Vermoord en bestolen; Joden, hun overlevingskansen en hun onroerende eigendommen in en nade Tweede Wereldoorlog op het Groninger platteland dat donderdag in het stadhuis van Oldambt in Winschoten werd gepresenteerd. Daarin staat hoe de voorgangers van de gemeenten Oldambt, Veendam, Midden-Groningen, Het Hogeland en Westerkwartier in en na de oorlog omgingen met onteigende Joodse huizen en landerijen.
Die bezittingen werden, zoals in heel Nederland, vanaf 1942 door de Duitse bezetter onteigend en te koop aangeboden. In de voorgangers van de vijf genoemde gemeenten werden ze vaak door particulieren gekocht, veelal door NSB’ers en collaborateurs.
Winschoten
Maar ook enkele van de toenmalige gemeenten verwierven Joodse eigendommen. Leens en Sappemeer bijvoorbeeld en zeker ook Winschoten, de stad die procentueel ooit het hoogste aantal Joodse inwoners had na Amsterdam. Winschoten kocht landerijen, pakhuizen en een dubbele woning.
,,De aankopen werden vaak gedaan om zo uitbreidingsplannen te kunnen uitvoeren’’, zegt historicus Richard Paping, universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Hij coördineerde het onderzoek dat in opdracht van de vijf gemeenten zelf in de afgelopen anderhalf jaar werd uitgevoerd en dat dus uitmondde in het rapport.
Richard Paping, universitair hoofddocent economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, doet onderzoek naar de omgang met Joods vastgoed in Groninger gemeenten in en na de Tweede Wereldoorlog. Foto: Huisman Media
Uitzonderlijk laag percentage
Na de oorlog moesten op basis van een regeringsbesluit de eigendommen worden teruggegeven aan de eigenaren. Waarbij het vaak ging om erfgenamen of nabestaanden, omdat veel van de eigenaren in concentratiekampen waren gestorven. ,,In het gebied dat we hebben onderzocht, overleefden maar 111 van de 1142 Joodse bewoners. Nog geen 10 procent, een uitzonderlijk laag percentage’’, aldus Paping.
Het zogenoemde rechtsherstel kwam er in de meeste gevallen wel, maar vaak ging het heel traag. ,,Er was sprake van een kille, zakelijke houding van gemeenten, van empathie was nauwelijks sprake. Ze hechtten groot belang aan het verworven onroerend goed, het gemeentelijk belang ging boven dat van de Joodse nabestaanden.’’ Winschoten was zelfs zo afhoudend dat het op de vingers moest worden getikt door onder anderen Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen.
Nader onderzoek
De huidige bestuurders van de vijf gemeenten namen het rapport in het stadhuis in ontvangst. Ze spraken van een zwarte bladzijde in de geschiedenis van hun gemeenten en benadrukten dat nabestaanden zich kunnen melden, mochten zij naar aanleiding van het rapport vragen hebben. Burgemeester Adriaan Hoogendoorn van Midden-Groningen kondigde een nader onderzoek aan naar de sloop van huizen van een Joodse overlevende door de voormalige gemeente Hoogezand. Een schrijnend verhaal dat ook in het rapport staat.
In de afgelopen jaren lieten al meer gemeenten, waaronder Groningen, hun omgang met Joodse eigendommen doorlichten. Aanleiding was een onderzoek van het journalistieke platform Pointer naar al dan niet geroofd Joods vastgoed. Het benaderde daarvoor gemeenten.