Koos van Dijk mist Herman Brood nog elke dag. „We waren totale tegenpolen, maar toch hetzelfde.” Foto: Siese Veenstra
Herman Brood is 25 jaar na zijn dood nog volop aanwezig in het collectieve geheugen. Zanger en pianist, tekenaar en schilder, maar bovenal een fenomeen dat sneller leefde dan goed voor hem was. Manager Koos van Dijk (81) uit Winschoten mist hem nog elke dag. „We waren totale tegenpolen, maar toch hetzelfde.”
Het is druk in café Stach, pal naast de entree van het Forum Groningen. Studenten schuiven met stoelen, koffiekopjes tikken tegen schoteltjes. Rechts achterin zit Koos van Dijk (81), naast zijn verloofde Donna Rochz (35). Zwart gekleed, sportief, energiek. Wie hem van een afstandje ziet, schat hem minstens 20 jaar jonger.
Hij bestelt thee, kijkt de zaak rond en steekt van wal. Over succes en mislukking. Over Groningen en Amerika. Over ruzies en risico’s. Over Herman Brood, die nog altijd opduikt in bijna elke zin.
In zeven stellingen kijkt Van Dijk terug op zijn leven met en zonder de rockster, volksheld en burgerschrik die 80 jaar geleden werd geboren in Zwolle. Op 11 juli 2001 sprong Herman Brood van het Hilton in Amsterdam, maar voor Koos van Dijk werd hij nooit verleden tijd.
1. Zonder mij was Herman Brood niet de artiest geworden die Nederland kent
„Hele volksstammen beweren dat Herman en Koos de ideale combinatie waren. En als ik terugkijk en me bescheiden opstel: ja, we hadden gewoon een klik. Echt een klik. Ik gaf om Herman, en nog steeds, en op een of andere manier zag hij mij ook zitten. Hij zei wel eens tegen anderen: ‘Het is ongelooflijk, mijn Koos is clean en hij is net zo opgefokt als iemand die speed gebruikt.’ Hij bedoelde daarmee: wij hadden dezelfde drive.”
Koos van Dijk: „We hadden gewoon een klik. Echt een klik. Ik gaf om Herman.” Foto: Siese Veenstra
„We waren totale tegenpolen. Absoluut. Maar toch hetzelfde. Want we hadden diezelfde honger. Toen Herman en ik begonnen, hadden we niet eens echt een vaste band. Er was een ritmesectie, maar de gitaristen wisselden. Het was zoeken. Tegelijk hadden wij een droom: een plaat maken, optredens regelen, een gouden single, een gouden lp. En ook naar Amerika. Dat zeiden we tegen elkaar: tuurlijk jongen, daar gaan we naartoe. En het is allemaal gebeurd. Dat is iets magisch. Het gebeurde gewoon.”
„Juist omdat ik niet dronk, niet rookte, geen drugs gebruikte, kon ik die lijn vasthouden. Ik wist waar we naartoe wilden. De show moest doorgaan, altijd. Als er een probleem was, moest je schakelen. Ik moest mensen binnenhalen, maar ook afscheid nemen als het niet werkte. Dat was pijnlijk, maar nodig. De trein moest door.”
„Herman heeft zich in die begintijd enorm ontwikkeld, door elke avond in Groningen te spelen. In de hoerenbuurt, in de Koffer, overal waar een piano stond. Echt overal. Dat heeft hem zo goed gemaakt. Hij kon nummers uitproberen. In de jaren 70 besloot de gemeente Groningen dat kroegen ’s nachts mochten openblijven als er livemuziek was. We zijn Max van den Berg, de toenmalige wethouder met z’n baard en pijp, nog altijd veel dank verschuldigd.”
2. Herman Brood was als kunstenaar belangrijker dan als muzikant
„Ik snap die stelling wel, maar ik ben het er niet mee eens. Herman kon zich niet splitsen. Als mensen hem vroegen wat hij liever deed, werd hij bijna kwaad. ‘Je kan me niet delen’, zei hij dan. Herman was muzikant, schilder, acteur, schrijver, dichter én de befkoning van Zwolle. Het liep allemaal door elkaar.”
„Maar als ik moet kiezen, dan zeg ik: muzikant. Daarmee begon alles. Luister naar Street, of naar Shpritsz. Dat is pure energie. Dat is een band die je omver blaast. Wat Herman op het podium deed, dat haakte aan je vast.”
„Journalist Syp Wynia schreef in het Nieuwsblad van het Noorden: ‘Ik ken geen zanger in Europa die zo staccato kan zingen als Herman.’ Dat werd later rappen genoemd. Ook in die zin was hij zijn tijd vooruit.”
Koos van Dijk: „Herman was muzikant, schilder, acteur, schrijver, dichter én de befkoning van Zwolle. Het liep allemaal door elkaar.” Foto: Siese Veenstra
„Herman zei zelf: ik sta liever in Heerhugowaard voor tien man te spelen – het liefst meisjes – dan dat ik alleen een schilderij sta te maken. Hij miste het publiek als hij schilderde. Muziek was direct. Je kon het elke avond oproepen. Een nummer inzetten en die energie weer voelen.”
„Begrijp me goed: als beeldend kunstenaar was hij baanbrekend. En financieel was de kunst uiteindelijk belangrijker voor hem. Daar verdiende hij zijn geld mee. Maar qua oorsprong, qua oerkracht, zat de kern in de muziek. In het spelen, in het publiek, in die wisselwerking.”
„Dus als je mij vraagt, zeg ik: muzikant. Herman zou zeggen: ‘Rot op met die vraag.’ Die had je helemaal geen antwoord gegeven.”
3. Voor Herman nam ik onaanvaardbare risico’s
„Als ik geen risico’s had genomen, hadden we nooit iets bereikt. Het was een en al risico. Ik moet speciaal denken aan 1979, onze tour door Amerika. Als je daar met een kilo harddrugs wordt gepakt, krijg je geen 5 jaar – dan zit je 30 jaar vast. Toch voerde ik het in, voor Herman.”
„Tijdens die tour was de ‘ruggengraat’ op – zo noemden wij speed. We hadden genoeg meegenomen om de tour uit te zingen. Dacht ik. Maar iedereen zat eraan: de muzikanten, de USA-crew en zelfs andere bands. Herman kon geen nee zeggen. Te aardig, te gul. Hij zei tegen mij: ‘Koos, de ruggengraat is op.’ Ik ben toen teruggevlogen naar Amsterdam. Speed kopen was geen probleem; ik kende de kanalen.”
„Ik heb het verpakt in glitterjasjes met grote kragen. Eerst inpakken, dan peper eromheen, weer inpakken, weer peper. Dat ging in een flightcase – niet te groot, niet te klein. De jasjes hingen aan een stokje, onderin lagen snoepjes en cadeautjes als afleiding. Slot erop. Het kistje ging met het vrachtvliegtuig, ikzelf met een passagiersvlucht. Je slaapt dan niet meer. Je functioneert als een robot. Want je weet: als je gepakt wordt, is alles voorbij.”
„Die flightcase is in Amerika verdwenen. Gestolen, daar ben ik van overtuigd. Achteraf gezien door iemand van de Amerikaanse crew die de kist zou ophalen. En toen zaten we daar zonder speed. We moesten spelen in de beroemde club The Bottom Line in New York – daar zat heel Amerika: platenmaatschappijen, directeuren, mensen van Saturday Night Live. Dit was hét moment.”
Koos van Dijk en zijn verloofde Donna Rochz, die optreedt als burlesque danseres Miss Donna Dutch. Foto: Siese Veenstra
„Zonder speed moet je stoppen met drinken. Maar dat gebeurde niet. Herman ging bij een platenbaas op schoot zitten en zong Diep in mijn hart van Tante Leen. Hij dacht dat het fantastisch ging. Maar iedereen droop af. We hadden de sleutel naar de volgende stap – grotere zalen, nightshows – en die deur ging daar dicht.”
„Of al die risico’s aanvaardbaar waren? Misschien niet. Maar ik deed het voor de muziek, voor onze droom. En ja, het had mijn leven kunnen verwoesten. Dat besefte ik. Maar zonder risico’s kom je nergens.”
4. Ik heb mezelf net zo vaak opnieuw moeten uitvinden als Herman
„Dat kun je wel zeggen, ja. Iedere keer als er een probleem was, moest je schakelen. Dat druiste soms tegen mijn gevoel in. Ik ben opgevoed door een lieve moeder die zei dat je rekening moet houden met mensen. Maar in dit vak moet je soms keiharde keuzes maken.”
„Ik haalde muzikanten binnen, maar ik moest ze er soms ook weer uit zetten. Dat was pijnlijk. Dan was de verkering uit, zeg maar. Soms hadden ze fouten gemaakt, soms deden ze moeilijk. Van het podium aflopen was een doodzonde. Dat kon niet.”
„Ik heb mijn huwelijk verloren doordat ik altijd voor Herman koos. Dat is gewoon zo. Je moest kiezen. Er waren jongens die voor hun vrouw en de hond kozen. Drie weken later stonden ze weer op de stoep, want dan was het thuis ook misgegaan. Maar intussen was hun plek ingenomen. Dus: geen vrouw, geen hond, geen band. Zo hard was het.”
In het kort
Koos van Dijk (Winschoten, 28 februari 1945) is vooral bekend als de manager en vertrouweling van Herman Brood (1946-2001). Hij ontmoette Brood midden jaren 70 en groeide uit tot diens vaste organisatorische en zakelijke steunpilaar. Van Dijk stond aan de basis van het succes van Herman Brood & His Wild Romance, met albums als Street (1977) en Shpritsz (1978).
Van Dijk groeide op in Winschoten, begon als diskjockey en runde later café ’t Pleintje. Zijn privéleven stond vaak onder druk door het intensieve tourbestaan. Hij heeft twee zoons, Ray en Boy. Anno 2026 woont Koos van Dijk in Amsterdam, samen met zijn verloofde Donna Rochz (35), die optreedt als burlesque danseres Miss Donna Dutch.
Koos van Dijk (81) en Donna Rochz (35) zijn verloofd. Foto: Siese Veenstra
„En na Amerika, begin 1980, viel alles uit elkaar. Dany Lademacher (de in 2025 overleden gitarist, red.) ging zijn eigen weg, anderen begonnen nieuwe bands. Herman en ik bleven over. Hij trok zich terug, het ging slecht. Dan denk je: dit komt niet meer goed. Maar toch begon het weer. Met David Hollestelle, met een nieuwe band. Je begint opnieuw. Dat heb ik vaak moeten doen.”
„Ook nu nog. Herman is bijna net zo lang dood als dat ik met hem gewerkt heb. Dat besef ik nauwelijks, omdat het allemaal zo intens was. Tropenjaren. Ik ben nog elke dag met hem bezig. Als ik niks doe, mis ik hem meer. Dus verzin ik steeds weer iets nieuws. Niet blijven hangen, maar doorgaan.”
5. Na Hermans dood begon mijn zwaarste werk
„Ja, dat vind ik eigenlijk wel een goeie stelling. Vooral omdat ik hem mis. En ik niet alleen. Hele volksstammen mailen me nog steeds. Elk jaar hadden we op 11 juli die bijeenkomst bij het Hilton om herinneringen op te halen. Alleen: het Hilton is dicht. Alles is anders. Dus moet je weer iets nieuws verzinnen.”
„Ik hoor hem nog zeggen: je gaat toch niet bij de pakken neerzitten? Zorg dat mijn naam goed geschreven wordt – en dát er geschreven wordt. Negatief, positief, dat maakte hem niet uit. Als zijn naam maar over de tong ging.”
„Dus ja, ik ben ermee bezig. Een hommage, misschien een kleine club huren. ‘Koos vertelt’, met rood licht, een band in kleine bezetting. Donna, mijn vriendin, moet er ook bij. Miss Donna Dutch, burlesque danseres, en ik ben haar manager.”
„David Hollestelle en Guzz Genser – oud-drummer van Wild Romance – zijn weer samen aan het repeteren. Guzz zingt nu zelf en zijn zoon heeft alle genen: die kan zingen én drummen. Twee jonge mensen van de Herman Brood Academie erbij en je hebt weer een band. Eigen nummers, maar natuurlijk ook Herman. Daar kunnen we niet onderuit, dat willen we ook niet.”
Het is bijna 25 jaar geleden dat Herman Brood overleed. „Elk jaar hadden we op 11 juli die bijeenkomst bij het Hilton om herinneringen op te halen. Alleen: het Hilton is dicht. Alles is anders. Dus moet je weer iets nieuws verzinnen.” Foto: Siese Veenstra
„Onder welke naam ze gaan spelen? Kijk, Wild Romance – dat is niet zomaar een naam. Dat is Herman zijn handschrift. Die naam ligt bij de familie. Als je die wilt gebruiken, moet je daar toestemming voor hebben. Het zijn jongens die heel lang met Herman gespeeld hebben; ik zou het niet raar vinden als zij die naam dragen. Maar dan moet je wel met elkaar in gesprek. Ik heb tegen Guzz gezegd: ga naar Xandra (Hermans weduwe, red.), overleg maar.”
„Mensen zeggen wel eens: Koos maakt geld van Herman. Dat snap ik. Maar zo is het niet. De rechten liggen bij de familie. Als ik iets wil doen, moet ik altijd toestemming vragen. Dat druist soms tegen mijn creativiteit in, want het gaat mij niet alleen om geld. Herman zei zelf: geld is niet belangrijk, het moet er alleen wel zijn.”
„Ik heb nog de merchandise, als herinnering aan hem. Dat is wat hij wilde: voor later. Wij spraken nooit over de dood, altijd over later. Hij wilde niets achterlaten voor de familie. ‘Ze kunnen er zelf voor werken’, zei hij.”
6. Ik ben en blijf een noorderling
„Absoluut. Noorderlingen zijn nuchter. Eerlijk. Recht door zee. Hard werken. Geen gezeik. Vier uur naar bed, acht uur weer op. The show must go on.”
Mijn jeugd in Winschoten was gewoon goed. Mijn moeder stond klaar met warme chocola en een broodje pindakaas. We woonden aan de rand van de bebouwing, met natuur om me heen. Visjes vangen, vogeltjes en konijntjes kijken. Dat groene neem je mee. Dat zit in je.”
„Winschoten heeft mij alles gebracht. Dommering, dat zalencomplex – daar gebeurde alles. Concerten, dansweekenden, films. John Mayall speelde daar, de Blue Diamonds, Cuby + Blizzards, Ro-d-Ys, Anneke Grönloh, Peter Koelewijn. Wie kwam er niet? Dat maakte indruk. Daar begon mijn droom.”
Koos van Dijk: „Noorderlingen zijn nuchter. Eerlijk. Recht door zee. Hard werken. Geen gezeik. Vier uur naar bed, acht uur weer op.” Foto: Siese Veenstra
„Ik ben begonnen als diskjockey. In Veendam stond ik doordeweeks achter de bar, in het weekend achter de draaitafels. Later begon ik mijn eigen kroeg: ’t Pleintje in Winschoten. Een zaak, een auto, structuur – ik had mijn leven op orde toen ik Herman leerde kennen. Dat vond hij interessant. Hij was chaos, ik had overzicht.”
„Mijn vader was belastinginspecteur. Die wist niet wat hij zag toen ik met dollars uit Amerika terugkwam. De dollar stond toen op 5,60 gulden. Dat was serieus geld. Maar hij gaf ook goede adviezen: hoe je het netjes regelt. Dat hoort er ook bij. Niet alleen dromen, ook organiseren.”
„Het noordelijke raak je nooit kwijt, mien jong. Ik maak met Donna een toertje door de omgeving. Mijn hele familie ligt begraven op een kerkhofje in Blijham. Mijn vader en moeder, mijn opa en oma, mijn zussen… Ik kan me voorstellen dat ik daar op den duur ook kom te liggen. Maar voorlopig heb ik nog geen plannen in die richting.”
7. Ik zou het allemaal zo opnieuw doen
„O, zeker. Absoluut. Ik zou het precies zo weer doen. Ook met alles wat misging. Zoals ik zei: toen we terugkwamen uit Amerika viel alles uit elkaar. Iedereen vloog uit. Alleen Herman en ik bleven over. Dan kun je zeggen: dit was het. Maar zo werkte het niet bij ons.”
„Hij trok zich terug. Zoute haringen halen bij de haringkar – dat was heroïne. Dat was niet leuk. Daardoor werd hij een totaal ander mens. En ja, ik heb echt gedacht: dit komt niet meer goed. Je moet dat aanvaarden en klaar. Maar hij had zijn talent nog. Soms was hij helder. Dan zei ik: ‘Wat doen we? Gaan we nog een keer beginnen?’ En dan begon het weer.”
Koos van Dijk: „Dan zei ik: ‘Wat doen we? Gaan we nog een keer beginnen?’ En dan begon het weer.” Foto: Siese Veenstra
„Met David Hollestelle. Later met George Kooymans, die in 1989 Sleepin’ Bird produceerde. Dat werd een hit – misschien gaan we dat nummer opnieuw uitbrengen. Ciao Monkey, zijn afscheid in 2001. Veel fans vinden dat misschien wel zijn beste album ooit. Dat soort momenten, die veerkracht – dat had ik niet willen missen.”
„Ik ben 81. En ja, er zijn veel mensen om me heen weggevallen die met de band te maken hadden. Dat is pijnlijk. Maar ik ben alleen maar blij dat ik het heb mogen meemaken. Dat ik zo lang naast ze heb mogen staan. Ik zeg wel eens: ik had eigenlijk verkering met Herman. Een wild romance. Zo voelde dat. Gek genoeg hebben we nooit samen in één kamer geslapen. Nooit. Het waren juist die paar uur dat we níet bij elkaar waren, waarin je weer kon opladen. Dat was onze dynamiek.”
„In die laatste periode schilderde Herman vaak op de muziek van de Pixies. Amerikaanse punk. Op een dag ging de telefoon. ‘Herman is dood’, kreeg ik te horen. ‘Van het Hilton gesprongen.’ Even later belde iemand anders: Frank Black. De voorman van de Pixies. Ik dacht eerst dat iemand me in de maling nam. Maar hij zei: ik kom naar Nederland, kan ik je ontmoeten? Hij was een groot bewonderaar van Herman. Later maakte hij het album Bluefinger, helemaal geïnspireerd op Herman en Zwolle. Hij is ook naar Hermans graf gegaan.”
„Overal, tot in Japan aan toe, vertelde Frank over Herman – over the guy who inspired me. In Houston financierde hij een maand lang een hommage, een soort musical waarin werd gespeeld en gezongen. Ik ben daar tien dagen geweest. Mensen vlogen uit heel Amerika in om vragen te stellen, herinneringen op te halen. Dat was bijzonder om mee te maken.”
„Frank Black zei tegen mij: ‘Ciao Monkey is better than Elvis.’ Dat is natuurlijk een uitdrukking: beter kan niet. Maar meer hoef je over zijn kwaliteit niet te zeggen.”