Henk Wijngaard viert op 9 mei drie jubilea in één concert. Foto: Jari Leijssenaar
Drie jubilea komen op 9 mei samen in één concert. Henk Wijngaard (Stadskanaal, 13 juni 1946) kijkt terug op een leven met grote successen en diepe dalen. „Met razende vaart vliegt de tijd voorbij.”
Hij wordt 80 jaar, is zes decennia getrouwd met Trijntje en zit een halve eeuw in het vak. Henk Wijngaard heeft veel te vieren en komt daarom niet met lege handen naar de interviewafspraak. Stickers, een sjaaltje, een bouwpakket van een vrachtwagen. En als klapstuk een truckerspet met opdruk: 50 jaar Met de vlam in de pijp.
Dát jubileum, de 50ste verjaardag van zijn doorbraakhit, laat formeel nog 2 jaar op zich wachten: op 6 mei 1978 kwam Met de vlam in de pijp de Top 40 binnen, als startschot van een langdurige carrière met twintig hitnoteringen.
Hoe gaat het met u?
„Ik ben op dit moment nog 79, op 13 juni word ik 80. Medicijnvrij, dat is toch geweldig? Toch komt er een punt waarop je denkt: ooit was ik klein en nu voel ik me oud. Wat daaruit voortkomt, is dat je in gedachten teruggaat naar de dingen van vroeger. Een meisje bij de kruidenier, een praatje met de bakker. Dat zijn de dingen die ik het meeste mis. Gisteren heb ik er nog een liedje over opgenomen in de Mastersound Studio van Niels Lingbeek in Muntendam. Over de tijd, die met razende vaart voorbijvliegt.”
Wat valt u op als u naar de wereld van nu kijkt?
„De wereld is wat verhard. Dat is wat ik op televisie zie. Messenstekerij, jongens van 12, 13, 14 jaar. Mishandeling, dat soort dingen. Maar om mij heen zijn ze allemaal heel lief, aardig en vrolijk. Laatst liepen er vier meisjes bij mij voor de deur langs met zo’n radio op de nek. Ze draaiden een nummer van mij, Ik moet nog wat jaren mee. Dan pak ik mijn telefoon en ren naar buiten. Helemaal hysterisch die meiden. Het liefste had ik gehad dat ze mij niet zagen, maar dat beeld vond ik zo leuk.”
Had u ooit gedacht dat u 50 jaar in het vak zou volmaken?
„Nee, nooit. Ik zie Met de vlam in de pijp echt als een lot uit de loterij. Dat er zoveel generaties zijn die dat kennen, is ongelooflijk. Na al die jaren wordt het nog steeds meegezongen. Platenmaatschappij Telstar heeft nu weer een goudkleurige elpee uitgebracht met twaalf van mijn hits. Dan denk ik wel eens: hoe is het mogelijk dat het nog steeds zo leeft? Het allerbelangrijkste is dat ik nog steeds graag sta te zingen. En ja, daarbij komt dat ik geen pensioen heb, alleen AOW. Dat is niet veel, dus je moet wel doorgaan.”
Henk Wijngaard brak door in 1978. „Ik zie 'Met de vlam in de pijp' echt als een lot uit de loterij.” Foto: Jari Leijssenaar
Hoe begon het eigenlijk, die doorbraak?
„Het was op een woensdagmorgen dat mijn bijrijder op de vrachtwagen, Harrie Vaartjes, mij vroeg waarom er eigenlijk geen Nederlandstalige truckersliedjes bestonden. Hij zei: jij zit in de muziek – ik speelde wat in bandjes – waarom schrijf je er zelf niet een? Dat vond ik wel een goed idee. Niet lang daarna heb ik op een talentenjacht in zalencentrum Zandberg te Musselkanaal In m’n cabine gezongen. De kritieken waren niet best, het geluid was zelfs verschrikkelijk. Maar in de opnamewagen zat Fred Limpens van platenmaatschappij Telstar en die was enthousiast. Hij liet het nummer horen aan Jacqui Hoes. Nog diezelfde avond had ik een platencontract.
In mijn cabine werd de B-kant van mijn eerste single, B’dai dai die. Op een dag belde Wim Bloemendaal, die toen een programma had op de nationale radio. ‘Bent u de vrachtwagenzanger?’ Zat ik ineens live in de uitzending, terwijl ik nog nooit op de radio was geweest. En hij draaide dus de B-kant, een truckersong.”
En u dacht: dat is een gat in de markt.
„Johnny Hoes, de platenbaas, zag er eerst niet veel in. Maar ik zei: meneer Hoes, er zijn 80.000 vrachtwagenchauffeurs in Nederland. Als de helft daarvan mijn liedjes leuk vindt en de helft dáárvan koopt mijn plaat… Toen zag ik dollartekens in de oogjes van meneer Hoes. Goed dan, zei hij, laten we het maar doen.
Heel belangrijk was het moment waarop ik Met de vlam in de pijp mocht zingen in Voor de vuist weg, het televisieprogramma van Willem Duys. Dat was een programma waar heel Nederland naar keek. En in dit geval ook heel België, want er was die dag een staking bij de toenmalige BRT.
Ik moest live zingen en was zó nerveus, als de dood dat ik mijn tekst zou vergeten. Een autocue bestond in die tijd nog niet. Ik was blij dat de camera niet dieper ging dan mijn middel, want mijn been trilde van de spanning. Maar het ging goed. En toen was het raak.
Ik ben dat jaar 52 keer op televisie geweest. Alles wat we uitbrachten werd goud, optredens door het hele land. Er kwam veel geld binnen, ik ging vliegles nemen. Want als je geld hebt, ga je gekke dingen doen.”
U had grote successen, maar u zegt ook: in Hilversum hoorde ik er niet bij. Hoe zit dat?
„Hilversum is nooit weggelegd geweest voor Henk Wijngaard. Ik ben voor hen geen artiest, maar iemand uit de piratenwereld. Terwijl ik twintig keer in de Top 40 heb gestaan. Dat telt daar blijkbaar niet. Ik pas niet in hun plaatje. In Hilversum ben je dan een B- of C-artiest, zo wordt dat gezien.
Ik zat een keer in de auto en hoorde een nummer uit Zuid-Afrika, van Kurt Darren. Dat stond daar op nummer 1, maar hier verstaat niemand de tekst. Daniël Dekker kondigde het af met de opmerking: ik ben benieuwd wie de eerste Nederlandse artiest is die dit gaat coveren. Terwijl mijn versie al bij hem op het bureau lag. Dan denk ik: zo werkt het dus in Hilversum.”
Ook achter de schermen ging er best eens wat mis.
„Managers, artiestenbureaus… Daar zaten er veel tussen die vooral aan zichzelf dachten. Vroeger waren het voor 99 procent zakkenvullers. Die verdienden meer aan jou dan jijzelf. Ik heb enorm veel geld laten liggen. Als ik zeg anderhalf tot 2 miljoen, dan zit ik er niet ver naast. Dat zat ’m in constructies, in tussenpersonen, in afspraken waar je geen zicht op had. Koppelverkoop, dat is officieel verboden. Maar in de artiestenwereld gebeurde het gewoon.
Jubileumconcert
Henk Wijngaard viert op zaterdag 9 mei zijn 50-jarig artiestenjubileum en 80ste verjaardag met een liveconcert tijdens de Tukker FM Donders Dikke Tent Party in Nieuwleusen. Hij wordt daarbij begeleid door de band Kabaal. Aanvang: 20 uur. Eerder die dag wordt zijn volledig gerestaureerde oude truck onthuld bij wegrestaurant De Lichtmis in Zwolle. RadioNL doet er vanaf 11 uur verslag van. Voor meer informatie: henkwijngaard.com. Bij platenmaatschappij Telstar verschijnt op 7 mei het jubileumalbum 50 jaar Met de vlam in de pijp op goudkleurig vinyl.
Platenmaatschappij Telstar brengt een hitoverzicht uit op goudkleurig vinyl. Foto: Telstar
Ik had op een gegeven moment een contract in mijn handen waarin stond: ‘inclusief geluid’. Ik zei nog: dat klopt niet, want ik speel met een band, dat geluid moet apart geregeld worden. Toen ben ik gaan rondbellen en kwam ik erachter hoe het werkte: er zaten meerdere partijen tussen die allemaal een stuk meepakten. Het verschil verdween in de binnenzak van de manager.”
Financieel was er al eerder tegenslag.
„In 1982, we woonden toen net in Vaassen. Omdat ik dacht: centraal in Nederland, dat scheelt reistijd. Ik stond op te treden in Brabant en kreeg een telefoontje: Henk, het artiestenbureau is failliet. De Belastingdienst had alles in beslag genomen. Van het ene op het andere moment ben je alles kwijt. Je hebt geen boekingen meer, geen structuur, geen vangnet. Dan val je in een gat.
Daarna ging het snel bergafwaarts. Ik raakte zwaar overspannen, had voortdurend hoofdpijn en was helemaal van de kaart. Dat noemden ze toen nog geen burn-out, maar dat was het wel. Ik zat eens op de fiets bij de watertoren in Stadskanaal en dacht: wat doe ik hier? Ik wist het gewoon niet meer.
’s Nachts lag ik naast mijn vrouw en zei ik: bel het ziekenhuis maar, ik ga dood. Zo voelde dat. Wezenloos. Mijn lichaam trok het gewoon niet meer. Ik ben naar Mallorca gegaan, eigenlijk gevlucht. Als mensen vroegen hoe het ging, zei ik: goed. Ik vertelde niemand hoe het echt zat.
Henk Wijngaard was in 1982 helemaal van de kaart. „Dat noemden ze toen nog geen burn-out, maar dat was het wel.” Foto: Jari Leijssenaar
Op een gegeven moment kwam Adrie van Opijnen naar me toe, de transportondernemer. Die zei: ‘Henk, ik zie dat er iets aan de hand is. Dit klopt niet. Wanneer ga je terug?’ Ik zei: dit weekend. Hij zei: meld je dan maandag maar op mijn kantoor. Dus ik rijd daarheen, kom binnen en Adrie zegt, wijzend naar een vrachtwagen: hij staat klaar voor je, pak hem maar. Ik zeg: meen je dat nou? Hij zegt: ‘tuurlijk, je moet toch rijden’.
Die man keek dwars door me heen. Hij heeft mij echt weer op de rails gezet. In die vrachtwagen heb ik me leeg gejankt. Alles kwam eruit, alles wat er in die tijd was gebeurd.”
Waar komt uw overlevingsdrang vandaan?
„Dat zit denk ik in mijn jeugd. Ik groeide op bij mijn opa en oma, van wie ik dacht dat zij mijn ouders waren. In huis waren drie ‘zusters’, maar één van hen bleek mijn moeder te zijn. Toen ik een jaar of 6 was, kreeg ik te horen dat ik de zoon was van een Canadese soldaat, Luke Miles Arney. Toen viel het kwartje – ook waarom ze me op school altijd ‘Canadesie’ noemden.
We verhuisden naar Delfzijl. Op een dag moest ik ineens mee naar het gemeentehuis. Mij was opgedragen buiten te blijven wachten, bij de brug. Toen ze weer naar buiten kwamen, was mijn moeder getrouwd met haar vriend Ruud Wijngaard. Tot die tijd heette ik Van der Laan, naar mijn moeder. Maar mijn stiefvader wilde graag een zoon en dus kreeg ik zijn naam. Een echte band hebben we nooit gehad. Er was geen warmte, geen vader-zoonverhouding.”
U liep op uw negende van huis weg.
„Ik kwam een keer uit school en toen lag mijn moeder op de grond. Ze had een gat in haar hoofd, ze lag te stuiptrekken. Een epileptische aanval, maar als kind wist ik dat niet. Ik ben zo geschrokken dat ik naar buiten ben gelopen en op de fiets ben gestapt. Weg, naar mijn opa en oma in Gasselternijveenschemond. Onderweg heb ik ergens bij Winschoten in een hooiberg geslapen.
Henk Wijngaard werd in 1946 als Hendrik van der Laan geboren. „Maar mijn stiefvader wilde graag een zoon en dus kreeg ik zijn naam.” Foto: Jari Leijssenaar
Mijn opa en oma schrokken zich rot toen ik voor de deur stond, maar ze hebben me niet meer teruggestuurd. Ik wilde niet meer naar huis. Dat heb ik ook gezegd. Daar gebeurde van alles, met kostgangers, feesten, drank, viezigheid. Dat wilde ik niet. Het huwelijk van mijn moeder was een halfjaar later voorbij. Maar ik moest verder met die achternaam.”
Hoe was die tijd bij uw opa en oma?
„We hadden niks, er was geen geld. Dus het was ’s ochtends stenen bikken, tussen de middag stenen bikken, ’s avonds stenen bikken. Door het cement eraf te halen, konden oude bakstenen opnieuw worden gebruikt. Mijn opa was gepensioneerd landarbeider, hij deed nog wel wat werk bij de boer. Ik hielp hem graag mee, ik was gek met hem.
Op school liep ik ondertussen 2, 3 jaar achter. Mijn rugzakje was al zo vol, dat leren kon ik er niet bij hebben. Dus op een gegeven moment ben ik gaan werken. Met een bakfiets bracht ik spullen rond voor warenhuis Westen in Stadskanaal.”
En ondertussen begon uw interesse in muziek.
„Ik had eerst een accordeon, een klein ding. Daar kon ik een paar nummers op spelen. Maar toen hoorde ik rock-’n-roll in Tijd voor teenagers, hét radioprogramma in die tijd. Eddie Cochran, Cliff Richard. Dat greep me meteen. Dat was het voor mij.
Ik ben toen overgestapt op de gitaar. Een Egmond, van Nederlandse makelij. Ik ben naar een leraar gegaan, maar die zei: we beginnen met noten lezen. Daar had ik geen zin in. Ik wilde gewoon spelen.
Dirk Norder uit Stadskanaal, die in een countrybandje speelde, heeft me in anderhalf uur de basisakkoorden geleerd. Dus een paar weken later zat ik met m’n opoe al die versjes te spelen: Daar was laatst een meisje loos, Hoog op de gele wagen, Ain boer wol noar zien noaber tou. Samen bij de kachel.
Kort daarna stond er een jongen voor de deur die me vroeg om in zijn band te komen spelen. Ik kreeg een akoestische Eko-gitaar, om op te bassen. Had ik nog nooit gedaan, maar hij zei: ik leer je een loopje dat je overal voor kunt gebruiken. ’t Ging heel makkelijk. We speelden veel nummers van The Shadows.”
Was dat het moment waarop u besloot voor de muziek te kiezen?
„Nee, daar was nog geen sprake van. Ik werkte toen in een confectiefabriek in Nieuw-Buinen, De Levita. Daar ben ik voor het eerst echt verliefd geworden, zwaar verliefd, op een meisje uit de fabriek. Swaantje heette ze, en zo zag ze er ook uit. Een beetje samen zitten op een personeelsavondje, wat knuffelen, dat werk – voor mij voelde het groot.
Totdat het ineens misging. Op een vrijdagavond kwam ik uit de fabriek en liep naar mijn fiets. Ik hoorde gelach, keek omhoog... en daar hing mijn fiets. Boven in de vlaggenmast. Bleek haar ex-vriend gedaan te hebben. Die wilde even duidelijk maken dat ik uit de buurt moest blijven.
Ik heb mijn fiets naar beneden gehaald, ben erop gestapt en naar huis gefietst. Maar ik was kapot. Liefdesverdriet, zo hevig dat ik daar niet meer wilde werken. Alles wat met die plek te maken had, wilde ik achter me laten. En ondertussen vond mijn opa dat ik met de band moest stoppen, omdat ik er toch niks mee verdiende. Dus geen werk meer, geen meisje, geen muziek.
Uit liefdesverdriet ging Henk Wijngaard de zee op. Zijn eerste reis duurde anderhalf jaar. Foto: Jari Leijssenaar
En toen kwam de zee in beeld. Iemand in de familie kende een kapitein op een coaster. In Delfzijl had ik altijd die schepen zien liggen en binnenkomen. Ik ging vaak kijken in de haven. Het trok me enorm. Dat vrije, dat onderweg zijn.
Ik heb toen een monsterboekje geregeld, handtekeningen van mijn moeder en mijn stiefvader erbij, en ik ben ervoor gegaan. In de trein naar Antwerpen. Daar ging ik aan boord van mijn eerste schip. En die eerste reis... die duurde anderhalf jaar.”
Ongelooflijk.
„Toen ik terugkwam van zee, was alles anders. Ik had geld gespaard – mijn opa had dat goed geregeld, een deel van mijn salaris ging automatisch op een spaarrekening. Toen ik thuiskwam stond daar een bedrag op waar je in die tijd een huis van kon kopen.
Op een dag stond ik met een kameraad, Jan, op een brug in Stadskanaal. Beetje praten, beetje kijken wat we zouden doen. We waren 16, hadden allebei een brommertje, dus de wereld lag voor ons open. Op een gegeven moment fietste er een meisje voorbij. Ik keek haar na en zei tegen Jan: ‘Dat wordt later mijn vrouw.’
De volgende dag, zondagmiddag, gingen we naar een cafetaria. De kroeg mochten we nog niet in, daar waren we te jong voor. Dus wij naar binnen, beetje rondkijken... en daar zat ze. Dat meisje van de dag ervoor. Ik stap op haar af en zeg: ‘Was jij dat, op die fiets bij de markt?’ Zegt ze: ‘Ja, dat was ik, ik moest boodschappen doen.’
Zo raakten we aan de praat. Heel gewoon eigenlijk. Maar het voelde alsof we elkaar al jaren kenden. Dat is nooit meer weggegaan. Die zondagmiddag in de cafetaria, dat is nu meer dan 60 jaar geleden.”
Jullie trouwden, er kwamen kinderen. En u ging terug aan wal.
„De koopvaardij was niks voor Trijntje. Ze was als de dood voor water. Ze kon niet zwemmen, dus de zee was voor haar niet weggelegd. Maar ik had geen diploma’s, niks. Ik ben weer naar school gegaan om onderhoudsbankwerker te worden.
Op een gegeven moment kwam ik in een aluminiumfabriek te werken en had ik elke avond last van mijn maag. Om de haverklap zat ik bij de dokter. Het bleek te komen door de gassen die ik niet kon verdragen. Pas toen besloot ik mijn vrachtwagenrijbewijs te halen en ben ik in het transportwezen terechtgekomen. Een job die me uitermate goed beviel. Ik reed bij Potze in Ter Apel, kiepwagenritjes in de buurt.”
Veel later, na uw burn-out, kwam u opnieuw op de vrachtwagen terecht. Toch kwam er ook een comeback en viert u nu uw 50-jarig jubileum als artiest.
„In 1988 stond er iemand aan de deur die zei: Henk, ik heb een liedje voor jou. Zu verkaufen: ein schneeweisses Brautkleid. Mijn zoon Evert, die toen een jaar of 16 was, reageerde fel: ‘Pa, dat ga je toch niet zingen? ’n Sneeuwwitte bruidsjurk... Als je dat opneemt, loop ik van huis weg’.
Toch ben ik de studio ingegaan. Producer Fred Limpens zette het resultaat voor mij op een cassettebandje. Thuis zei ik tegen Evert: doe me een plezier, luister nog één keer goed. En toen zag ik het gebeuren. Aan zijn gezicht, zijn lichaamstaal. Hij draaide langzaam bij. Toen het nummer was afgelopen, zei hij: ‘Pap, wat is dit een fantastisch mooi liedje’.
Niet veel later stond ik ermee op het podium, bij Krijn Torringa. Ook een Grunneger. Ik zong het nummer, met de tekst op mijn beide handen geschreven. En de reacties... De Amerikaanse zanger George McCrae kwam na afloop naar me toe. ‘I have to congratulate you with your song’, zei hij. ‘Sounds like Kenny Rogers.’ Hij was er helemaal weg van.
Dat was voor mij een kentering. Na 5, 6 jaar ellende, alleen maar tegenslag, voelde dit als een bevrijding. Echt. Het was alsof alles weer openbrak.”
In het kort
Henk Wijngaard werd op 13 juni 1946 geboren in Stadskanaal als zoon van een uit Frankrijk gevluchte moeder en een Canadese geallieerde soldaat. Muziek speelde al vroeg een grote rol; op zijn veertiende kreeg hij zijn eerste gitaar. Wijngaard trad al snel op in bandjes, maar ging eerst werken, onder meer op zee en later als vrachtwagenchauffeur. Tijdens dat werk ontstond het idee voor Nederlandstalige truckersliedjes. Dat bleek een schot in de roos: Met de vlam in de pijp was in 1978 de eerste van een lange reeks hits.
Na een intensieve periode in de showbizz nam hij afstand en keerde terug naar de vrachtwagen, maar de muziek bleef trekken. Zijn comeback maakte hij in 1988 met ’n Sneeuwwitte bruidsjurk. Ook daarna bleef hij hits scoren (zoals Hé Suzie en Beun de Beunhaas) en optreden.
Wijngaard trouwde 60 jaar geleden met Trijntje (nu 78 jaar). Samen hebben ze een dochter en twee zoons, negen kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. Henk en Trijntje wonen in Emmen.