Het hoort niet, dat weet ik ook wel, maar de horeca had de deuren dichtgegooid en van de twee mobiele toiletten die er voor in de plaats waren neergezet wist ik uit eigen ervaring dat eentje wiebelde als een tuinstoel op een kasseienterras, terwijl die andere… laat ik daarover maar helemaal zwijgen, u zit immers mogelijk net aan uw ontbijtcracker.
Dus vond ik mezelf met brandende blaas terug in een brede strook openbaar groen rond een duister parkeerterrein. Ik keek omhoog, naar de sterren tussen de takken. Op de achtergrond dreunden bassen en klonk het gejoel van het uitgaanspubliek waar ik me zojuist nog tussen bevond, maar hier, op dit sanitaire toevluchtsoord, was het muisstil. En koud.
Hoe lang was het geleden dat ik voor het laatst had gewaterd op een plek die daar eigenlijk niet voor was bestemd?
Het moest vast een keer tijdens een boswandeling zijn geweest, ergens verscholen tussen de sparren, op een zacht bedje van naald en mos, terwijl de rest van de huishouding geërgerd stond te wachten op een zandpad.
Maar dat was beslist jaren terug: met het klimmen van de jaren veranderen blijkbaar je urineergebruiken. Wildplas je er in je jonge jaren lustig op los, in het leven van een brave veertiger is clandestiene openluchtzeikerij taboe.
Ik maakte mijn riem los, ging stevig staan en dacht terug aan de eindeloze zomers van halverwege de jaren negentig. Die lange, lome, warme zwemdagen aan de boorden van de zandwinningsplas, op een kilometer of 10 fietsen. Badlakens op het gras. Een draagbare radio-cd-speler, blikjes lauwe 3S-cola en grote zakken chips in ons midden.
En dan, als de avond viel en de zon in onze huid was geslopen, maakten we op de weg terug naar het dorp steevast een tussenstop bij een weiland langs de route. Aan de rand van het betreffende perceel stond een zware, roestende zeecontainer. Daarachter was je totaal aan de openbaarheid onttrokken: een ideale wildplasplek. Met z’n zevenen tegelijk straalden we ijverig tegen dat zinderende metaal aan: wie het hoogst reikte, won. De bovenste spat telde en de dagwinnaar genoot het volledige respect van de groep – tot de volgende sessie, een etmaal verder. Wildplassen was een verbindend fenomeen. Een vriendschapsritueel.
Over processen-verbaal dacht je niet na. Ook later niet, bij de nachtelijke fietstochten van discotheek en grand café terug naar huis, als de blaasinhoud in boerensloten of tegen scherp maïsstengelloof klaterde. Eén keer werd ik betrapt: niet door een verbalisant, maar door een haas, die wegstoof uit het hoge gras dat we hadden uitgekozen voor een groepsgewijs urineerintermezzo. Van schrik mikte ik over mijn gympen, een tot nederigheid stemmende aangelegenheid: alleen onkundige onnozelaars bedruppelen zichzelf.
Nu stond ik daar, in die bosschages rond een desolaat parkeerterrein, wildplasser tegen wil en dank, over mijn schouders te kijken of er geen waakzame handhavers naderden. Gauw, gulp dicht en wegwezen.
Mijn schoenen hield ik droog. Maar van opluchting was amper sprake.
En dagwinnaar zou ik er ook al niet mee zijn geworden.
Journalist Wieberen Elverdink (45) woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp, centraal in het Noorden. Hij schrijft over kleine en grote gebeurtenissen in het (dorps)leven.