Regisseur Robert Altman is minder bekend dan zijn Amerikaanse tijdgenoten, maar minstens zo invloedrijk. Forum Groningen toont in augustus klassiekers van Altman, een van de grootmeesters van de cinema die 100 jaar geleden geboren werd.
Steven Spielberg, Martin Scorsese en Francis Ford Coppola kent iedere filmliefhebber. Robert Altman is minder bekend bij het grote publiek. Opmerkelijk, en onterecht bovendien. Altman (1925-2006) was liefst vijftig jaar actief als filmmaker en wist talloze geslaagde en minder geslaagde films af te leveren. Hij was productief en zat nooit om werk verlegen. En dat terwijl het er aanvankelijk niet op leek dat hij ooit filmmaker zou worden.
Robert Altman, geboren in Kansas City, was 18 toen hij zich in 1943 meldde bij de Amerikaanse luchtmacht. Hij was als copiloot van een bommenwerper betrokken bij liefst vijftig missies tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog verhuisde Altman naar Californië en ging hij werken bij een bedrijf dat zich specialiseerde in het tatoeëren van honden om ze herkenbaarder te maken. Altman vertelde ooit dat hij de hond van president Harry S. Truman had getatoeëerd.
Rebel in Hollywood
Zo’n anekdote hoort haast in een film thuis, en misschien was het wel voorbestemd dat Altman in de filmwereld zou belanden. Hij werd scenarist en ging korte tv-documentaires produceren. Met zijn eerste eigen film The Delinquents (1957) maakte Altman de sprong naar speelfilms. De lowbudgetfilm over rebelse jongeren die zich verzetten tegen hun ouders bleek symbolisch voor de maker zelf.
Want Robert Altman werd een rebel in Hollywood. Hij boekte zijn grote successen in de jaren 70, precies in de periode dat de dwingende macht van de productiestudio’s begon af te brokkelen. Die hadden liever iemand die ze konden kneden, maar net als zijn tijdgenoten Spielberg, Coppola en Scorsese liet Altman zich niet kneden. Altman verkoos de kunst van film altijd boven de commercie en was wars van het grote geld. Een cineast pur sang.
Daarmee botste hij met producenten. Altmans carrière werd gekenmerkt door ruzies. Hij kwam op voor zichzelf en liet zich niet artistiek voorschrijven wat hij moest doen. Toen een uitvoerend producent hem ooit vroeg om 6 minuten van zijn nieuwe film California Split (1974) af te knippen, mepte Altman de man op zijn snuit en viel die zo een zwembad in. Mijn film is kunst, daar blijf je van af.
Eeuwige strijd met geldwolven
Zo’n actie kost iemand al gauw zijn carrière, maar Altman wist iedere keer weer aan werk te komen. Misschien wel júist door zijn eeuwige strijd met geldwolven en het vasthouden aan zijn principes, wist hij op zijn voorwaarden steeds films te maken. Die eigenzinnigheid werkte als een magneet voor mede-artiesten.
De tijdgeest zat Altman mee. De tijd van Hollywood als ‘droomfabriek’ was voorbij. Mensen wilden niet langer sprookjes en glitter en glamour, maar rauwe, relevante en pure films over alledaagse problemen die je als kijker herkende. En Altman maakte die.
Satirisch en Altmanesque
De Vietnamoorlog bereikte een dieptepunt en het Amerikaanse publiek begon zich te roeren over zoveel zinloos geweld, toen Altman M*A*S*H uitbracht in 1970. In de satirische oorlogsfilm – die eigenlijk over de Koreaanse oorlog gaat – maken militairen de rigide werkwijze van het Amerikaanse leger waar ze zelf bij zitten belachelijk. De film werd een enorm succes en Altmans doorbraak.
Elliott Gould, Buck Holland en Donald Sutherland in 'M*A*S*H' (1970).
M*A*S*H bleek de eerste in een reeks van satirische Altmanesque ‘anti-genrefilms’. Een jaar later volgde in 1971 McCabe & Mrs Miller, een anti-western waarin de held iemand puur uit overlevingsdrang op laffe wijze in de rug doodschiet. Ondenkbaar voor een meer klassieke onschendbare pistoolheld, maar Altman had daar lak aan.
Hij wilde realisme. Geweld niet verheerlijken, maar veroordelen. Als je iemand doodschiet, dan stap je daar niet zomaar even luchtig overheen. Anti-Hollywoodman Altman durfde het aan.
Vaderfiguur
Met The Long Goodbye (1973) nam hij de detectivefilm op de hak. Zijn weergave van privédetective Philip Marlowe (Elliott Gould) was allesbehalve een stoere kerel, maar juist een maf en cynisch mannetje. Iemand die niet op tijd kattenvoer koopt en zich een ongeluk zoekt in talloze lege keukenkastjes.
Elliott Gould in 'The Long Goodbye' (1973).
Ook de acteurs zelf zijn realistisch in Altmans films. Verwacht geen opgepompte superhelden of sexy sterren, maar mensen met imperfecties. Het echte leven is chaotisch en onvoorspelbaar, dan wil je toch ook dat personages irrationeel gedrag laten zien?
Om die reden was Altman geliefd onder acteurs. Ze wisten dat hij hen alle ruimte bood om natuurlijk spel te laten zien, zich een rol eigen te maken en af te wijken van het script waar ze dat nodig vonden. Spontaniteit en improvisatieruimte, vond Altman, kwamen het verhaal ten goede. Dat Altman als een vaderfiguur tussen de acteurs en de ‘geldtypes’ van de productiestudio stond, versterkte zijn status als gerespecteerde regisseur.
Allemaal door elkaar praten
Een grote groep acteurs met ongeveer evenveel speeltijd, de zogeheten ‘ensemblecast’, was een terugkerend element in zijn films. Een andere was de overlappende dialoog. Waar het tot de jaren zeventig normaal was dat hooguit twee personages tegelijk spraken, liet Altman allerlei mensen door elkaar praten. Bij de montage zorgde hij dat de belangrijkste gesprekken het beste verstaanbaar waren. Wederom was realisme het sleutelwoord. Want op een echt feestje praat toch ook iedereen door elkaar?
Die chaos en verwarring zag je bij Robert Altman in zijn films, en ook op de set zelf. Doordat acteurs de vrije hand kregen en door elkaar heen mochten praten, oogde het soms als een rommeltje. Het maakte dat sommige van zijn films hopeloos mislukten, zoals Popeye (1980) en Prêt-à-Porter (1994). Maar als het wel lukte, dan lukte het geweldig.
Meesterlijke mozaïekfilms
Een goed voorbeeld, en misschien wel zijn allerbeste film, is Nashville (1975), die dit jaar zijn 50ste verjaardag viert. Altman slaagt erin om meer dan twintig verschillende personages allemaal tot hun recht te laten komen in een knappe mozaïekvertelling over de geboorteplaats van de countrymuziek.
Minstens zo knap: Nashville is zowel een satirische komedie over de kleinzieligheid en kitscherigheid van country en de Amerikaanse samenleving, als een lofzang daarop. De film voelt van begin tot eind als een feestje.
Nashville (1975).
De films van Altman zitten stuk voor stuk goed in elkaar, met natuurlijk spel, mooie camerabeelden en goed gekozen muziek. Ze waren scherp, wrang, eigenwijs. Dat geldt ook voor mozaïekfilm Short Cuts (1993) en voor Gosford Park (2001), twee meesterlijke films over losse menselijke verhaaltjes die op indrukwekkende wijze met elkaar verweven raken. Altman liet hiermee zien dat hij de ensemblefilm tot in de puntjes beheerste.
Gekonkel in Hollywood
Al die conflicten met filmproducenten, dan kon een film daarover natuurlijk niet uitblijven. Met de satirische zwarte komedie The Player (1992) haalde Altman zijn gram richting de lastposten die hem jarenlang het bloed onder de nagels vandaan haalden. De film over het gekonkel in Hollywood scoorde goed, vreemd genoeg ook onder mensen uit de filmhoofdstad zelf.
Robert Altman instrueert zijn acteurs op de set van The Player (1992).
Altman werd vijf keer genomineerd voor de Oscar voor Beste Regisseur, voor M*A*S*H, Nashville, The Player, Short Cuts en Gosford Park, maar won het gouden beeldje nooit. In 2006 kreeg hij alsnog een ere-Oscar voor zijn gehele oeuvre. Datzelfde jaar zou hij zijn laatste adem uitblazen. Negentien jaar later hebben filmliefhebbers de kans zijn beste films te kijken in Forum Groningen.
Films van Robert Altman in Forum
M*A*S*H (1970) op 1/8 en 3/8; California Split (1974) op 2/8 en 5/8; Nashville (1975) op 8/8 en 10/8; McCabe & Mrs Miller (1971) op 9/8 en 12/8; The Player (1992) op 15/8 en 17/8; The Long Goodbye (1973) op 16/8 en 19/8; Short Cuts (1993) op 22/8 en 24/8; 3 Women (1977) op 23/8 en 26/8; Gosford Park (2001) op 29/8 en 31/8. Te zien in Forum Groningen.