Wouter Hoving schrijft over klimaat en duurzaamheid en schrijft elke twee weken commentaar voor DVHN. Foto: Marcel Jurian de Jong
Hoeveel ruimte krijgt de agrariër, is er meer biodiversiteit nodig en is er überhaupt plek voor de wolf? Met de verkiezingen in het achterhoofd moeten we eerst naar de fundamentele vraag: wat ís natuur?
Vier op de vijf Nederlanders voelt zich betrokken bij de natuur (Compendium voor de Leefomgeving, 2026). Het is dus niet vreemd om natuur een grotere rol te geven in de lokale politieke discussie voor de komende verkiezingen.
Want hoewel gemeenten weinig invloed hebben op de grote lijnen — zoals uitkoopregelingen of aanwijzing van Natura 2000-gebieden — is hun impact beslist niet klein. Zij bepalen omgevingsplannen voor woningen, landbouw en natuur, beoordelen kapvergunningen, wijzen rustgebieden aan en leggen de structuur van het lokale groen vast. Wat gemeenten doen, bepaalt uiteindelijk hoe het landschap om ons heen eruitziet.
De vraag is dan: wat is natuur? Het antwoord op de vraag maakt nogal uit voor wat je wilt beschermen. De één roept: we hebben geen natuur in Nederland; alles is gecultiveerd. De ander ziet al natuur in het bosje om de hoek.
Sommige boeren stelden dat er “zonder boeren geen natuur” zou zijn.
Is een aardappelveld ook natuur? Het is geen ‘wilde natuur’, maar het is wél een plek waar planten groeien, insecten leven en soms zelfs een gele kwikstaart broedt. Wat als een biologische boer kevers en veldmuisjes bewust toelaat?
Relevant voor oplossingen
Die semantiek lijkt een detail, maar is dat niet. Ze bepaalt hoe mensen naar hetzelfde landschap kijken. Dat bleek bijvoorbeeld in de inspraakavond over de toekomstvisie voor het Drentse platteland (Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe). Sommige boeren stelden dat er „zonder boeren geen natuur” zou zijn, bleek uit verslaglegging van deze krant.
Eén van hen betreurde het verlies van cultuurland sinds De Onlanden bij Groningen is ingericht als waterbergingsgebied: volgens hem maakten weidevogels plaats voor „alleen maar riet en tienduizenden ganzen”. (Feitelijk is dat onzin trouwen, er werden in 2025 in De Onlanden 126 broedvogelsoorten geteld, waaronder zeldzaamheden als kraanvogel, kwak en vuurgoudhaan.)
De crux is dit: de boer zag grote natuurwaarde op zijn eigen erf. Hij waardeert de grutto meer dan een veld vol brandganzen. De natuurkenner ziet juist een bredere achteruitgang in biodiversiteit, inclusief de verdwenen insecten, vissen en vogels die we nauwelijks nog opmerken. Beide spreken over „natuur”, maar bedoelen iets anders.
Beide waarderen natuur
Die tweedeling is onnodig. De twee partijen zijn het over één ding eens: ze waarderen allebei natuur. Ze zien het alleen op andere plekken. Zo’n inzicht helpt om samen te bepalen waar plek is voor bloemenstroken, bomen, wolven of sloten.
Wie eerst vaststelt wát we natuur noemen, kan daarna veel helderder bespreken hoe we haar willen beschermen.